Interview door Rosalie Van Hoof

Een gesprek met twee Vlaamse Bouwmeesters

Sinds 30 juni is Leo Van Broeck (links op foto) Vlaams Bouwmeester af. De afgelopen vier jaar versierde hij regelmatig krantenkoppen met scherpe uithalen naar de Vlaamse verkavelingscultuur. Zijn plek wordt inmiddels opnieuw warm gehouden door opvolger Erik Wieërs van het Antwerps bureau Collectief Noord.

Sinds 30 juni is Leo Van Broeck (links op foto) Vlaams Bouwmeester af. De afgelopen vier jaar versierde hij regelmatig krantenkoppen met scherpe uithalen naar de Vlaamse verkavelingscultuur. De architect brak een lans voor denser wonen, de Mobiscore en kernversterking.

In de stad van de toekomst leef je opnieuw waar je slaapt.

Leo Van Broeck hield als Vlaams Bouwmeester, kortweg gezegd, een pleidooi om dichter bij elkaar te wonen door efficiënter gebruik te maken van de beschikbare ruimte en meer rekening te houden met de impact van onze levensstijl op de natuur en het klimaat. Het warm water heeft hij niet uitgevonden: “In 1999 zei de eerste Vlaamse Bouwmeester al dat het platteland voor koeien is, dat je daar niet moet bouwen.” Van Broecks bureaustoel wordt inmiddels opnieuw warm gehouden door opvolger Erik Wieërs van het Antwerps bureau Collectief Noord. Zijn aanstelling als Vlaams Bouwmeester vond plaats in volle coronatijd.

In de Middeleeuwen hielden we steden gezond door bouwkundige ingrepen. Zo werd de Zenne overkapt na een cholera-epidemie in de 19de eeuw. Hoe maken we postcorona de stad pandemie-proof?

Wieërs: “Ik geloof niet zozeer in een functionele aanpassing van de stad na enkele gebeurtenissen. Wel denk ik dat de coronacrisis een aantal zaken heeft scherpgesteld. Het verschil tussen wie over privaat eigendom beschikt en wie niet, bijvoorbeeld. We zien opnieuw dat degenen die het minste hebben, de grootste slachtoffers van de situatie zijn. Dáár kan het beleid iets aan doen.”

Van Broeck: “Wie kijkt naar de kaarten met coronagevallen per duizend inwoners ziet dat steden procentueel niet meer besmettingen kennen dan het platteland. Ook de Verenigde Naties bevestigen in een studie dat er geen correlatie is tussen dicht bij elkaar wonen en COVID-19-incidenten. Armoede en klein wonen daarentegen zijn wel factoren die de kans verhogen om het virus op te lopen.”

Dus, los van het feit dat de steden geen broeihaarden voor corona zijn, vinden jullie niet dat bouwkundige aanpassingen de samenleving kan weren tegen het uitbreken van virussen?

Wieërs: “We moeten opletten dat we het debat niet omkeren. Het is niet zo dat diegenen die in een slechte sociale conditie wonen, de oorzaak van de verspreiding zijn. Dat is inherent fout. Ze zijn de oorzaak van de verspreiding omdat ze slecht wonen. Oorzaak en gevolg. Indien we ervoor zorgen dat iedereen kwalitatief kan wonen, met voldoende buitenruimte, zal de pandemie minder hard aankomen. De lessen die we reeds kenden, werden andermaal bevestigd. Als je klein woont, weinig voorzieningen en weinig groen in de buurt hebt, is het moeilijk als je plots niet meer naar buiten mag.”

Van Broeck: “Wat we leerden uit de crisis is dit: waar je ook woont, als je woning te klein is en je niet voldoende buitenruimte hebt, is die niet lockdowncompatibel.”

De stad is de toekomst, maar de afgelopen maanden bleken de voordelen plots vooral nadelen, zoals de nabijheid en de beperkte publieke ruimte. Hoe behouden steden hun aantrekkingskracht?

Wieërs: “Ik denk dat er nood is aan sensibilisering. In Vlaanderen redeneren we van goed naar slecht, waarbij een losstaande woning het hoogste goed is en een appartement de slechts mogelijke woonsituatie. Terwijl woonkwaliteit over heel andere dingen gaat. Er bestaan inmiddels ontzettend veel verschillende voorbeelden en typologieën van appartementen mét grote terrassen of collectieve tuinen waarin ‘s zomers ook een barbecue kan worden aangestoken. We moeten meer aandacht hebben voor dergelijke voorbeelden. Er leven irreële angsten rond wonen en leven in de stad. Mensen linken onterecht de stad met individualisme en dorpen met verbondenheid. Een stad moet op dat vlak niet onderdoen. Sterker nog, in een co-housingsituatie zijn die sociale voordelen, die men in een verkaveling zoekt, nog explicieter. Je kunt daar evenzeer de haagschaar van de buur lenen en een straatfeest organiseren.”

Van Broeck: “Mensen die vandaag in een verkaveling achter een hoge haag wonen, dat zijn mensen die de gemeenschap verlaten. Die zeggen: ‘Laat me met rust, ik zit hier achter mijn barricade’. Waar is dan de samenleving? Of, waar is de samenleving als iedereen privacy eist in de openbare ruimte? Tijdens de lockdown moest ik in mijn lokale supermarkt in Brussel nooit aanschuiven. Het wc-papier was er altijd voorradig en ik kan ook ’s avonds nog gauw iets gaan halen in de nachtwinkel. In de verkaveling moet iedereen met de auto naar de hypermarkt waar ze vervolgens in grote groepen staan aan te schuiven en elkaar besmetten.”

Er leven irreële angsten rond wonen en leven in de stad. Mensen linken onterecht de stad met individualisme en dorpen met verbondenheid. Een stad moet op dat vlak niet onderdoen.

Hoe wonen we in de toekomst?

Van Broeck: “Plezanter, op betere locaties en betaalbaarder.”

Wieërs: “Denser, maar met de kwaliteiten van een verkaveling.”

Van Broeck: “In de stad van de toekomst leef je opnieuw waar je slaapt. Je kunt te voet naar de winkel, de crèche, de school en je werk. Vlamingen die vandaag buiten de stad wonen, zijn veel minder thuis. Dat heeft consequenties. Het aantal inbraken in een verkaveling ligt procentueel hoger, omdat er overdag doorgaans niemand thuis is. Het aantal verkeersdoden bij mensen die buiten de stad wonen is groter, omdat ze meer kilometers met de auto afleggen. Een verkeersongeluk is in ons land de voornaamste doodsoorzaak bij jongeren tussen de 20 en 25 jaar. Die cijfers spreken voor zich. Bovendien is er slechts 3 procent minder fijn stof op de boerenbuiten. Die wolken drijven ook naar daar. Het verschil is verwaarloosbaar.”

Wieërs: “Mensen willen liever niet in het centrum van de stad wonen omwille van de drukte en de stank. Daarom moeten we er allereerst voor zorgen dat auto’s uit dat stadscentrum blijven. Dan beginnen de voordelen op te wegen.”

In de stad van de toekomst is er geen plaats voor de auto?

Wieërs: “Dat zeg ik ook niet, maar we zien wel dat de druk in alle Europese steden om de auto buiten het stadscentrum te weren, alsmaar toeneemt. Het is ook niet zo evident. Neem Antwerpen: de havenstad moet autovrij gemaakt worden, maar wanneer? Momenteel geldt er nog de verplichting dat wie in het centrum een woning bouwt, een parkeerplaats moet voorzien. Dat kun je in vraag stellen. Er gebeuren tegelijkertijd investeringen in grote parkings aan de rand van de stad. In principe kun je in de toekomst je auto daar parkeren en vervolgens met het openbaar vervoer de stad in gaan. De publieke parkings in de binnenstad kunnen dan bewonersparking worden.”

Van Broeck: “De auto zal altijd nodig en aanwezig blijven, maar het moet daarom toch geen vanzelfsprekend privébezit zijn. We rijden dagelijks gemiddeld tussen de 35 en 55 minuten met onze vierwieler. Dat betekent dat onze wagen 23 uur per etmaal stilstaat. In totaal hebben we in Vlaanderen bijna vier miljoen auto’s. Per exemplaar zijn er gemiddeld twee parkeerplaatsen voorzien; eentje thuis, op het werk, in de stad. Uitgerekend komt dat neer op zo’n 24.000 hectare aan parkeerplaatsen voor blik dat het meeste van de tijd stilstaat. Dat is bijna een absurde grap.”

Het mobiliteitsprobleem is onlosmakelijk verbonden met ons woon-werkverkeer. Tijdens de quarantaine verdwenen files plots als sneeuw voor de zon. Blijven de kantoorgebouwen in gebruik of zien we elkaar in de toekomst vooral op Zoom?

Wieërs: “Voor veel, maar niet voor alle sectoren, is het nut van telewerken bewezen. Niet iedereen zal van thuis uit kunnen blijven werken. Ik heb me eens laten vertellen dat je ongeveer 30 procent van de auto’s moet elimineren om het fileprobleem op te lossen. Dat is niet onoverkomelijk veel. Bedrijven kunnen bijvoorbeeld werken met een beurtrol waarbij er om de drie dagen andere werknemers naar kantoor gaan. Ook het gebruik van deelauto’s kunnen we stimuleren. Ik denk dat, als we binnen vijftig jaar terugkijken naar het fileleed van vandaag, we zullen denken: Waarom hebben we dat toen niet sneller opgelost? Het is niet zo complex.”

Van Broeck: “Ik hoorde prognoses van mobiliteitsdeskundigen die beweren dat er in steden binnen twintig jaar nog ongeveer 10 procent van het huidige wagenpark nodig is. In landelijke gebieden 20 procent. In een latere evolutie gaan we over naar partieel zelfrijdende wagens. Op deze manier zouden we in de toekomst toekomen met een half miljoen deelwagens in de plaats van vier miljoen. Het probleem van onze ruimtelijke ordening is groter dan enkel de fileproblematiek. Zelfs als we dat laatste oplossen met deelwagens, moeten we blijven inzetten voor die verdichting. Thuiswerken is niet de heilige graal. Een samenleving is een incubator van ideeën en innovatie. Het leven zal meer en meer virtueel worden, maar niet volledig.”

Als we binnen vijftig jaar terugkijken naar het fileleed van vandaag, zullen we denken: Waarom hebben we dat toen niet sneller opgelost? Het is niet zo complex.

Wieërs: “Dat klopt wat Leo zegt. Thuiswerken is niet de oplossing om de Vlaming in de verkaveling te laten wonen. Dichter bij elkaar wonen en telewerken moet samen. Er kan worden voorzien in aangepaste infrastructuur, zoals een workspace voor werkende ouders bij een kleuterschool. Ik denk dat we steeds meer die denkreflex moeten maken.”

Erik, waar wil jij de accenten leggen tijdens jouw mandaat als Vlaams Bouwmeester?

Wieërs: “Samen met mijn team werken we aan een visienota. Deze wil ik eerst scherpstellen vooraleer ik met concrete voorstellen naar buiten treed. In ieder geval is het niet zo omdat Leo nu vertrekt, dat de problematiek waar hij vier jaar lang op hamerde met hem mee verdwijnt. Waar ik me als bouwmeester ook op focus, het zal altijd in het kader zijn van het optimaliseren van onze woonsituatie door meer in de kern te gaan wonen.”

Tot slot, Leo, welke boodschap wil jij nog meegeven aan jouw opvolger?

Van Broeck: “Wij hebben maar van één ding last gehad en dat is framing in de pers. Wat ik doorheen de afgelopen vier jaar geleerd heb, is het belang van een discours dat voorbij de polarisatie gaat, en heel hard inzet op oplossingen en het creëren van een draagvlak. Als ik lezingen geef, zeggen mensen me regelmatig dat ik twee dingen beschrijf: enerzijds een doemscenario waarvan je bijna depressief wordt, gevolgd door het tweede deel met de oplossingen: groene steden, meer samenwonen, minder verkeer, betaalbaarder wonen, geen files, meer fietspaden, minder fijn stof, minder verkeersdoden… Politici weten dit maar al te goed, maar de maatregelen worden als te nadelig gepercipieerd. Ik denk daarom dat het narratief van de verandering een positief verhaal moet zijn. Al weet Erik dat allemaal al wel.”

27.10.2020
door Rosalie Van Hoof
Vorig artikel
Volgend artikel