Nood aan meer jongeren op de arbeidsmarkt

Jongeren op de arbeidsmarkt

In ons land zijn er vandaag minder jongeren aan de slag dan twintig jaar geleden. Ze studeren langer dan nodig of matchen niet voldoende met het werkveld. Niet alleen de eindeloopbaan, maar ook de intrede op de arbeidsmarkt verdient dus de nodige aandacht.

In België is een minder groot deel van de beroepsbevolking aan de slag dan in onze buurlanden. Hoewel onze activiteitsgraad de voorbije twintig jaar steeg, hinkt ze met 68,8 procent in 2018 nog altijd achterop, merkt de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Vooral bij de jongeren valt de kloof met de buurlanden op. Vandaag is minder dan 30 procent actief op de arbeidsmarkt. 

De voornaamste reden van de lage activiteitsgraad bij jongeren tussen de 15 en 24 jaar is dat de meesten langer studeren. Een positieve tendens. Al maakt het Steunpunt Werk van KU Leuven de kanttekening dat de studietijd soms onnodig verlengd wordt, zonder dat daar meer kennis uit voortvloeit. 

Leren solliciteren

Na het afstuderen vinden heel wat jongeren ook maar moeilijk hun weg op de arbeidsmarkt. Uit onderzoek blijkt dat ze te weinig op de hoogte zijn van de verplichte formaliteiten en de mogelijkheden om begeleiding te krijgen. Vandaag worden jongeren nog vooral geïnformeerd via websites en brochures, waarnaar ze zelf op zoek moeten. Al duiken er stilaan ook meer laagdrempelige ondersteuningsprojecten op die de nodige wegwijzers plaatsen, zoals Transit – een samenwerkingsproject tussen stad en provincie Antwerpen, de VDAB en de drie grote vakbonden. “We wachten niet tot de jongeren op zoek gaan naar informatie, maar komen nog voor ze afstuderen naar hen toe”, vertelt verantwoordelijke Kathleen Art van POM Antwerpen. “Onze experts informeren de jongeren uit de laatste graad van het secundair onderwijs op een interactieve manier over solliciteren, arbeidsrecht en sociale zekerheid. We spelen ook een carrièrespel, zodat je de intrede op de arbeidsmarkt al eens meemaakt.”

Belang van bijscholing

Omdat vooral leerlingen uit technische- en beroepsrichtingen meteen na het middelbaar de arbeidsmarkt op gaan, krijgen zij meer praktische arbeidsinformatie aangereikt dan ASO-leerlingen. Die laatste groep stroomt door naar het hoger onderwijs, zonder die achtergrondinformatie. En die volgt ook niet meer: “We zien dat de jongeren op geen enkel ander moment in hun verdere schoolloopbaan nog praktische informatie over de arbeidsmarkt krijgen. Het is dus heel belangrijk dat ook deze groep tijdens de laatste secundaire schooljaren geïnformeerd wordt”, bevestigt Kathleen Art. 

Tegelijk ervaren jongeren die verder studeren vaak ook meer moeilijkheden op de arbeidsmarkt: “Hogere studies worden meer vanuit interesse dan vanuit praktische overweging gekozen, waardoor het diploma niet aansluit op openstaande vacatures”, verduidelijkt Kathleen Art. “Ook het belang van schakelprogramma’s, bijscholingen of – in TSO en BSO – een zevende jaar moet dus meer onderstreept worden. Die vormen dé link met de arbeidsmarkt.”

Ervaring opdoen

De overgang van de schoolbank naar de werkvloer blijft natuurlijk altijd een sprong in het duister. In ons land nog meer dan in onze buurlanden: amper 5 procent van de Belgische studenten heeft naast zijn studies een baantje, aldus de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Ter vergelijking, in Nederland klust 45 procent van de studenten bij. Nochtans is ervaring cruciaal: uit onderzoek van LinkedIn blijkt dat een derde van de jongeren tussen 18 en 22 jaar carrièrekansen misloopt door een gebrek aan ervaring op een moeilijke arbeidsmarkt.

“Studentenjobs, maar ook stages en duaal leren, zijn de beste manier om het werkveld te ontdekken, talenten te ontplooien en ervaring op te doen. Combineren we dat met voldoende wegwijzers naar instanties die jongeren begeleiden bij hun eerste stappen op de arbeidsmarkt, dan kunnen we de instroom van jong talent alleen maar vergroten”, besluit Kathleen Art. 

 

TRANSIT