Home Blog

Zonnige groe(n)tjes uit het zuiden!

Verschillende soorten bananen op een plank

Onze supermarkten bieden dagelijks een kleurrijk assortiment van groenten en fruit aan, maar weet jij hoeveel kilometers onze druiven en komkommers afleggen om in de winkelrekken te belanden? Sommig gezonde tussendoortjes zijn namelijk niet altijd gezond voor het milieu. De teelt van die gewassen speelt overigens ook een belangrijke rol.

Het is altijd even puffen als je aan de kassa in sneltempo je boodschappen in je draagtassen steekt. De kassamedewerker scant razendsnel je aankopen, waardoor het opbergen een beetje op conditietraining begint te lijken. De analyse van je winkelkar maak je vervolgens snel op basis van de kassabon. Zijn de kortingen meegerekend? Check. Behalve het financiële plaatje, is er weinig ruimte voor een diepgaander onderzoek.

Toch mag je best ook de CO2-voetafdruk van je winkelkar eens onder de loep nemen. Meer specifiek kijken we naar groenten en fruit, want die zijn in sommige gevallen vervuilender dan je zou denken. Bij vervuiling denken we al snel aan het aantal kilometers dat een kiwi uit Nieuw-Zeeland moet afleggen om tot in ons land te geraken. Maar ook de manier waarop onze groenten en fruit geteeld worden, hebben een impact op het milieu.

Te land, ter zee of in de lucht?

francesco-ungaro-749416-unsplash

Bananen uit Colombia of snijbonen uit Kenia… Er bestaan heel wat globetrotters onder de groenten- en fruitsoorten. Veel kilometers aan transport hebben een invloed op de CO2-uitstoot, maar de vrachtwagen, trein, boot of vliegtuig maken een wereld van verschil. De bovengenoemde boontjes worden met een vliegtuig naar een Europese distributeur overgevlogen, terwijl de bananen in grotere bulk de oversteek met de boot maken. In het laatste geval wordt er minder CO2 uitgestoten omwille van het groter vervoerde volume en het gebruik van zeevaart.

Ook de trein wordt gebruikt voor transport van fruit en groenten. Twee jaar geleden startte het testproject Cool Rail met een treinverbinding tussen Valencia en Keulen voor Spaanse groenten en fruit. Supermarkten als Albert Heijn en Colruyt Group stapten mee op de trein om een CO2-neutraler transport te krijgen.

Teelt en waterverbruik

nicole-harrington-58566-unsplash

Nog bepalender voor de CO2-voetafdruk van groenten en fruit is de wijze waarop ze geteeld zijn. Een Belgische tomaat legt bijvoorbeeld weinig kilometers af, maar verbruikt wel véél meer energie wanneer die in een verwarmde serre is gekweekt. Je hebt tot 11 keer meer energie nodig voor een kilo tomaten, tenzij er groene energie gebruikt werd voor de opwarming. Bij het gebruik van warmtekrachtkoppeling is de uitstoot zelfs kleiner.

Tot slot mag je ook andere soorten vervuiling en het waterverbruik niet over het hoofd zien. Sommige groenten en fruit hebben bij hun teelt meer water nodig dan andere gewassen. En ook de vervuiling door chemische stoffen is een belangrijke factor. Bioteelt heeft in dat geval het voordeel dat er geen chemische producten worden gebruikt en dat ze geen genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) bevatten.

Door het bos de fruitboom zien…

george-kantartzis-515602-unsplash

Het milieuvriendelijke verhaal van groenten en fruit is dus erg genuanceerd en complex. Verschillende factoren bepalen de impact van een gewas op ons milieu. Als je toch een milieubewuste keuze wil maken in de supermarkt, kun je alvast seizoensgebonden producten kopen.

De Nederlandse milieu-organisatie Milieu Centraal ontwikkelde een handige website en tool die aangeeft wanneer je welke groenten en fruit kan eten. Hierbij houdt de website rekening met onder meer de locatie van de teelt, het transport en de periode. Want een bewuste keuze is meestal een geïnformeerde keuze. 

‘Deze crisis is het bewijs dat er nood is aan ‘slimme’ kleding’

Het is niet evident om de activiteiten van ontwerpster Jasna Rokegem onder één noemer te plaatsen. De jonge Belgische is het brein achter de eerste FashionTech-ontwerpstudio in België, genaamd Jasna Rok, waar innovatieve technologieën gecombineerd worden met interactieve mode. Maar haar interesses zijn breder dan alleen mode. We spraken over de FashionTech-industrie, empathie, de coronacrisis (uiteraard) en haar nieuw project: ‘Opera on Brainwaves’. 

“’Opera on Brainwaves’ is een samenwerking met de Belgische operazangeres Elise Caluwaerts. Met dit project verkennen we thema’s als verbinding, zelfbewustzijn, intimiteit en empathie binnen een technologisch hoogstaand spektakel.”

Is empathie een belangrijk motief in je werk?
“Zeker en vast, ‘Opera on Brainwaves’ gaat over het visualiseren van emoties. Daardoor maakt het een abstract begrip tastbaar. Door er gewoon naar te kijken stimuleert het je ontwikkeling van empathie en medeleven. Daarnaast is er ook mijn laatste project ‘(RE)Connect’ in samenwerking met Nokia Bell Labs, dat nu bij NASA staat: het eerste intelligente kledingstuk in de wereld. Het detecteert emoties, en simuleert die aan de hand van kleuren en voelbare feedback. Op dit moment zitten we met de social distancing-regel, maar dat wil niet zeggen dat contact onmogelijk is. Het brengt juist nieuwe mogelijkheden met zich mee om op andere manieren met elkaar verbinding te zoeken. Een intelligent kledingstuk zou in deze situatie ideaal zijn. Denk maar aan alle mensen die nu alleen zitten, zoals grootouders die niet weten hoe ze moeten Skypen. Stel je voor dat zij een kledingstuk hebben dat niet alleen hun gezondheid in de gaten houdt, maar hen ook in contact brengt met anderen. Een kledingstuk dat je gevoelens doorstuurt naar iemand anders. Dat is een totaal andere manier van communiceren. Zonder woorden, en alleen op basis van wat iemand voelt.”

Ik neem aan dat niet iedereen zomaar zijn of haar gevoelens graag kenbaar maakt?
“Natuurlijk niet, maar dat is ook deels mijn bedoeling. Dat is de artiest in mij die wil provoceren. Je moet mensen uit hun comfortzone trekken. Als zij dat niet willen, des te beter: dan krijg je weerstand en wordt er dieper nagedacht over waarom ze zoiets niet willen. Daarnaast leer ik er zelf ook uit. Vandaar de voelbare feedback, en niet enkel visuele feedback. Op die manier kun je zelf kiezen of je het voor jezelf houdt of deelt. Want los van het feit dat je je gevoelens kunt delen met anderen, geeft het ook de kans tot introspectie. Geconfronteerd worden met gevoelens maakt je bewuster over wie je bent en wat je voelt. Uiteindelijk zou dat zorgen voor veel minder depressies en burn-outs, omdat mensen sneller aanvoelen wat hun lichaam en geest hun vertelt.”

“Geconfronteerd worden met gevoelens maakt je bewuster over wie je bent en wat je voelt.”

Hoe is het idee voor ‘Opera on Brainwaves’ tot stand gekomen?
“Heel spontaan. Vorige zomer zaten Elise en ik in San Francisco, waar we tussen de schilderijen van Rubens in het Legion of Honor-museum een operavoorstelling op poten zetten. Elise droeg toen een kledingstuk van mijn ‘Fashion on Brainwaves’collectie, een jurk die van kleur veranderde op basis van haar hersenactiviteit. De voorstelling was een enorm succes, en mensen reageerden heel positief: ze gingen sneller met elkaar in gesprek en waren veel toegankelijker tegenover vreemden. Toen kwamen we tot het akkoord dat we daar verder mee moesten, het grootser aanpakken. ‘Fashion on Brainwaves’ is vooral een project rond empathie: hoe drukken mensen zich uit, en hoe kunnen we medeleven en empathie stimuleren? Met de coronacrisis is dat relevanter dan ooit.”

Hoe kwam je erop om een brug te slaan tussen mode en technologie ?
“Ik had altijd al een technologische aanleg. Mijn vader is mekanieker, en hij leerde me op jonge leeftijd al dingen zoals lassen. Op de middelbare school studeerde ik Latijn-Wiskunde, en daar heb ik een interesse voor de wetenschap ontwikkeld. Daarnaast was mode altijd al een passie voor mij. Uiteindelijk heb ik een manier gevonden om al die domeinen te combineren, en daar ben ik heel blij om.”

Kreeg je niet vaak te maken met sceptici wanneer je met zulke hoogtechnologische ideeën op de proppen kwam?
“Zeker weten. Ik studeerde in Nederland, waar ik altijd een beetje het buitenbeentje was. In het begin dacht ik dat het een doodgewoon cultuurverschil was. Maar toen ik in het laatste jaar – na mezelf maandenlang te verdiepen in de neurowetenschappen – kwam opdagen met het idee om kledij te verbinden met de hersenen, dan zag je de lectoren wel kijken: ‘Oké, we wisten dat ze zot was, maar zo zot?’”

Hoe heb je dat aangepakt, kennis verzamelen over de neurowetenschappen?
“De hersenen zijn het meest complexe orgaan dat er bestaat, maar dat maakt het net zo interessant. Er valt online een hele hoop over te vinden. Daarnaast ben ik zelf beginnen experimenteren. Ik heb tijdens mijn laatste jaar ook meegedaan aan een hackathon van de European Space Agency in Noordwijk. Daar leerde ik twee ingenieurs kennen en een docent die uitermate intelligent is met data. Met die mensen heb ik dan onderzocht welke soort breinsensor de beste keuze was voor hetgeen ik wou maken. Toen begonnen de lectoren me wel iets serieuzer te nemen, en gelukkig liet het opleidingshoofd me vrij om te doen wat ik wou. In mijn derde jaar werd ik gekozen om een samenwerking te doen met de John Hopkins University in Baltimore, en ik heb daar toen een installatie gebouwd waarvan niemand dacht dat het mogelijk was. Daarna twijfelden mijn docenten niet meer aan me. Intussen werk ik samen met universiteiten, professoren en organisaties om wetenschappelijke analyses te doen, en krijg ik veel vertrouwen.

Jasna Rok is voorlopig de enige FashionTech-ontwerpstudio in België. Denk je dat er een grotere markt voor bestaat, met ruimte voor meer spelers?
“Op dit moment ben ik inderdaad, voor zover ik weet, de enige in België. Ik probeer natuurlijk zoveel mogelijk mensen te inspireren en warm te maken voor het concept, maar dat wringt een beetje met de typische Belgische ingesteldheid. We zijn heel voorzichtig en berekend. Je moet ook weten dat er in onze modeacademies niet veel plaats is om gekke dingen te proberen. Mijn studies aanvatten in Nederland was wel degelijk een weloverwogen keuze.”

Heb je, al dan niet over de grenzen heen, nog gelijkgestemden leren kennen?
“Absoluut, het is soms zelfs een beetje spooky als je mensen tegenkomt die op eenzelfde manier als jij denken. Het heerlijke is dat je eerder concullega’s bent dan gewoon concurrenten. We zitten allemaal in dezelfde vijver, maar toch zijn we allemaal anders gespecialiseerd. Dat zorgt ervoor dat er heel wat appreciatie is voor elkaar. Enorm fijn is dat, want de modewereld zelf is een stuk individualistischer.”

Komt dat samenhorigheidsgevoel dan voort uit het feit dat jullie allemaal buitenbeentjes waren?
“Mode en technologie samen is een compleet nieuwe wereld die opengaat. Een wereld waar er zo veel nieuwe dingen te doen zijn en te ontdekken vallen. Waarom zouden we dan het eerste stukje land dat we tegenkomen claimen en onze vlag er zetten, in plaats van samen te werken? Daar haalt iedereen voordeel uit. In het algemeen is er ook een conscious-shift, die nu door de coronacrisis nog meer in versnelling komt: we moeten het allemaal samen oplossen. Alleen kom je er niet. Dat besef leeft wel in de FashionTech-wereld.”

“We moeten het allemaal samen oplossen. Alleen kom je er niet. Dat besef leeft wel in de FashionTech-wereld.”

Welk gevolgen heb jij ondervonden van de coronacrisis?
“Je ziet alles in elkaar stuiken. Alle events worden afgelast, waaronder ook de persconferentie enkele weken geleden voor ‘Opera on Brainwaves’, met als gevolg dat we nu extra hard op zoek moeten naar nieuwe sponsors. En het is niet evident om op dit moment bedrijven warm te krijgen voor nieuwe projecten. Aan de andere kant is deze crisis het bewijs dat er een nood is aan ‘slimme’ kledij. Als we nu kledingstukken zouden hebben die je temperatuur kunnen meten, dan zouden alle thermometers niet uitverkocht zijn. Of we zouden met alle data die de kledingstukken verzamelen in kaart kunnen brengen waar de meesten zieken zich bevinden, en zo actie ondernemen. We staan eigenlijk voor een nieuwe start. De coronacrisis gaat een zware impact hebben op alle domeinen, dus waarom niet even stilstaan en alles opnieuw evalueren vanuit authenticiteit, kwetsbaarheid, transparantie en empathie?”

Je droom is om een kledingstuk te ontwerpen dat dienst doet voor alles. Eén kledingstuk to rule them all.
“Dat is mijn doel. Als je een kledingstuk hebt dat van vorm en kleur kan veranderen, heb je eigenlijk maar één kledingstuk nodig. Momenteel wordt er veel gepleit voor duurzaamheid. Eén kledingstuk dat dienst doet voor een hele kleerkast, dat is écht duurzaam. Samen met mijn verloofde, een nanotechnoloog, ben ik aan het kijken of we nano-coating kunnen maken die vijf jaar lang antiviraal blijft. Op die manier zouden we textiel kunnen creëren dat antiviraal is op zichzelf. Ik probeer met Jasna Rok gewoon duidelijk te maken dat het mogelijk is, dat zulke ideeën helemaal zo gek niet zijn.”

De modewereld is ook niet de enige industrie waar je actief in bent?
“Het feit dat ik bruggen kan bouwen tussen industrieën en future applications kan ontwikkelen in allerlei domeinen vind ik nog het leukst. De ruimte is al jaren mijn inspiratie. Alle innovatie komt daaruit voort. Zonder de ruimte-industrie zouden we geen telefoon, GPS of zelfs nog maar een tefalpan hebben. Ik zou zelf graag naar de ruimte gaan met een intelligent kledingstuk. Als ik er dan ook eentje achterlaat op aarde zou ik de eerste persoon kunnen zijn die gevoelens verstuurt door de ruimte. Daarnaast werk ik ook veel met de farmaceutische industrie. Daar is iedereen het eens dat het alsmaar belangrijker wordt om preventief te werk te gaan. Professor Koen Kas, een van mijn partners, schreef het boek ‘Nooit meer ziek’, waarin hij pleit voor een geneeskunde die ons niet alleen geneest maar vooral ook gezond houdt, en misschien zelfs ‘beter’ maakt. Op dat vlak is een kledingstuk, dat constant je gezondheid meet, ideaal.”

“Ten slotte heb ik ook al dingen mogen lanceren in de auto-industrie. Een paar jaar geleden heb ik samen met Volkswagen in India een nieuwe auto gelanceerd waar ik toepassingen voor mocht neerzetten. Denk aan een verwarmingssysteem dat zich automatisch aanpast op basis van je noden, of een stoel die je lichaamsgewicht kan meten en advies kan geven. En er zijn nog veel meer toepassingen denkbaar: een auto die taxi- of truckchauffeurs vertelt wanneer ze te moe worden om te rijden, of een auto die van kleur verandert om bijvoorbeeld gevaar aan te geven.”

Zijn er recente ontwikkelingen of evoluties waar je enthousiast van wordt?
“Veel jongeren zijn een stuk bewuster, hebben meer ballen aan hun lijf en zijn veel meer bezig met duurzaamheid, daar word ik enthousiast van. Zo heb je bijvoorbeeld Eva Eyskens, die net afgestudeerd is en op een heel duurzame manier haar collectie over de twaalf archetypes van mensen gelanceerd heeft. Of Pauline van Dongen die met hernieuwbare energie bezig is en zonnepanelen in kleding probeert te verwerken. Op vlak van high-tech zijn er natuurlijk constant nieuwe interessante ontwikkelingen. We kunnen 3D-printen op stoffen, we kunnen allerlei sensoren verwerken in kleding… Er worden veel meer bruggen gebouwd tussen ingenieurs en ontwerpers, en dat is een enorm goede zaak.”

De succesfactoren van topzorg gescand

De Belgische gezondheidszorg prijkte vorig jaar op een vijfde stek in de Europese Health Consumer Ranking. Vooraan de lijst stonden Zwitserland, Nederland en Noorwegen. Wat kan België nog van deze landen leren? En wat misschien ook niet?

DR. TIANA VAN GRINSVEN.
Bestuurder Zorginstituut Nederland
NEDERLAND

Waarom scoort de gezondheidszorg zo hoog in dit land?
“Het Nederlandse zorgstelsel is gebaseerd op een sterke solidariteit. Rijk en arm, jong en oud, gezond en ziek: we hebben allemaal toegang tot dezelfde, betaalbare zorg. Daaraan betaalt iedereen in Nederland mee via een systeem van premies en belastingen. Die basissolidariteit, die we als land en samenleving koesteren, vind ik een belangrijke succesfactor. Daarnaast stel ik vast dat we ook een mooie start hebben gemaakt in de manier waarop we medische gegevens uitwisselen. Hoe maken we die essentiële beweging rond data en technologie? Hoe gaan we om met vraagstukken rond AI en regelgeving bij informatiestandaarden? Momenteel zijn we bezig om dat soort uitgangspunten in wetgeving vast te leggen.”

Hoe is het zorglandschap het voorbije decennium geëvolueerd?
“In 2006 trad in Nederland de Zorgverzekeringswet in werking, met een systeem van gereguleerde marktwerking. Zorgverzekeraars kopen voor hun verzekerden de nodige zorg in bij zorgaanbieders. Ze maken bepaalde afspraken en kunnen zo een invloed uitoefenen op de betaalbaarheid en de kwaliteit. Zorgverzekeraars hebben er alle baat bij om zich goed van hun opdracht te kwijten, want verzekerden kunnen elk jaar naar een andere verzekeraar overstappen. De markt doet dus zijn werk, maar wel op een gereguleerde manier. De overheid blijft namelijk een sterke rol spelen. De uitvoerende regie zit ook deels bij de gemeenten.”

Wat zijn de uitdagingen voor de toekomst?
“Op dit moment zitten we in Nederland aan de grens van 100 miljard in de zorguitgaven. De grote uitdaging is om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden. En dat terwijl de bevolking vergrijst, meer mensen chronisch ziek zijn en er een tekort is aan arbeidskrachten. De solidariteit waar we zo fier op zijn, blijft alleen overeind als we het zorglandschap innoveren en anders organiseren. We zien dat zorgaanbieders meer beginnen samen te werken in regionale netwerken. Zo kunnen ze de juiste zorg bieden op de goede plek, bijvoorbeeld in een aantal gespecialiseerde ziekenhuizen. Ook de aandacht voor een gezond leven en preventie zijn van belang. E-health en zorgtechnologie kunnen daarin zeker hun rol spelen.”


KAROLINE SOLHEIM.
Noors verpleegkundige
NOORWEGEN

Waarom scoort de gezondheidszorg zo hoog in dit land? 
“Ongeveer 8 procent van je belasting als inwoner van Noorwegen gaat naar sociale zekerheid. Inbegrepen zijn onder meer: alle ziekenhuiskosten in publieke voorzieningen, een ruime terugbetaling van medicijnen en zaken als zwangerschaps- en ouderschapsverlof. Dat laatste is hier trouwens prima geregeld. Papa’s kunnen vier maanden thuisblijven. Wie mama wordt, heeft recht op acht maanden. Nog mooi om te vernoemen: we leven in een groot land, maar de spoedhulp zit uitstekend in elkaar. We hebben helikopters en boten, en ambulances ingericht met CT-apparatuur. Scans kunnen meteen naar het ziekenhuis gestuurd worden. Zo is een snelle en correcte behandeling mogelijk, ook op het platteland.”

Hoe is het zorglandschap het voorbije decennium geëvolueerd?
“In 2013 vond er in Noorwegen een politieke verschuiving plaats, waarbij de rood-groene coalitie werd afgelost door een rechts-conservatieve regering. Met die beweging zijn er een groter aantal privéklinieken gekomen. Ik denk niet meteen dat daarmee de kloof tussen patiënten is vergroot: in Noorwegen krijgt iedereen hulp. Maar misschien krijgen meer gegoede mensen die nu wel net iets sneller. Een belangrijke evolutie was verder de verdeling van het land over vijf regionale zorginstanties. Eerder was het zo dat iemand uit het Noorden bijvoorbeeld helemaal naar Oslo moest om een bepaalde operatie te krijgen, nu moet binnen iedere regio elk type hulp geboden kunnen worden.”

Wat zijn de uitdagingen voor de toekomst?
“Waar ik vooral verbetering mogelijk zie, is in de ouderengeneeskunde en de ouderenzorg. Plaatsen in het verzorgingstehuis zijn voorbehouden voor mensen die echt ziek of dement zijn. Maar zelfs voor hen is er op dit moment niet overal plek. We moeten daarnaast ook iets doen aan het groeiend tekort aan verplegend personeel. Een op de vijf verpleegkundigen werkt tien jaar na afstuderen niet meer in de gezondheidszorg. Met de status van het beroep zit het best goed, maar de verloning is relatief laag in vergelijking met andere bachelorniveaus. Zeker in verhouding tot de wacht- en nachtdiensten die erbij horen. Er vallen nog wel wat maatregelen te nemen om de job weer aantrekkelijk te maken.”


EM. PROF. JAN DE MAESENEER.
Huisarts, Vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg UGent
ZWITSERLAND

Waarom scoort de gezondheidszorg zo hoog in dit land?
“Allereerst zou ik die Health Consumer Ranking toch sterk willen relativeren. Het gaat vooral over: krijgt de consument wat hij wil? Vindt die de zorg bereikbaar en betaalbaar? Zwitserland is een heel rijk land met veelal dito inwoners. Het besteedt 12,3 procent van zijn BBP aan gezondheidszorg. Dat kan geen enkel ander Europees land. Patiënten betalen er 26 procent van hun ziektekosten out-of-pocket. Het Europees gemiddelde is 16 procent, België zit aan 18 à 20 procent. De uitgaven voor medische beeldvorming en aanvullend technisch onderzoek liggen er erg hoog. Drie scans waar er maar één nodig is? U vraagt, wij draaien. Natuurlijk is het van belang dat de klant het naar zijn zin heeft. Maar wetenschappelijk onderbouwd of kosteneffectief is dat niet altijd.”

Hoe is het zorglandschap het voorbije decennium geëvolueerd?
“Overdreven kritisch hoeven we ook niet te zijn over het Zwitserse systeem. Dat mensen er tevreden zijn, komt ook deels omdat de bevolking nauw betrokken wordt bij de organisatie van de zorg. Is er bijvoorbeeld sprake van een nieuw ziekenhuis, dan mogen mensen hun zegje doen over waar en hoe. Die lokale inspraak kent een lange historiek van decentralisatie. In Zwitserland ligt een grote autonomie rond organisatie van de zorg bij de 26 kantons. De laatste jaren keren wel meer bevoegdheden terug naar de federatie. De klassieke slingerbeweging is dat: sommige dingen worden dan blijkbaar toch beter centraal geregeld. De behandeling van zeldzame ziekten bijvoorbeeld, waarvoor de juiste expertise en kritische massa nodig is.”

Wat zijn de uitdagingen voor de toekomst?
“Er is geen sterke eerstelijnszorg in Zwitserland. Pas heel recent is er meer aandacht voor de positie van huisartsen. Heel anders is het in Nederland en Noorwegen, waar de huisarts de poortwachter is in het zorgnetwerk. In Noorwegen worden huisartsen en specialisten overigens ook gelijk betaald, omdat hun verantwoordelijkheid even hoog wordt ingeschat. In België heerst de discussie rond de eerstelijnszorg al jaren. Bij ons lijken mensen alleen maar gelukkig te worden als ze meteen naar de specialist of naar de spoedafdeling kunnen rennen. Dat is dan weer wél interessant aan zo’n ranking: in de top drie van landen met de meest tevreden patiënten zijn er twee landen waar de huisarts de spilfiguur is in de gezondheidszorg.”

Hoe bedrijfscontinuïteit garanderen?

Het coronavirus heeft niet alleen een impact op onze gezondheid, maar ook op onze economie. Normaal zakendoen werd de voorbije weken voor veel bedrijven onmogelijk.

De meeste bedrijven stapten over naar thuiswerk, en in de cruciale sectoren – waar de deuren open moeten blijven – werd het een kwestie van snel schakelen en veel flexibiliteit. Zet dit de trend voor wanneer de coronastorm straks is overgewaaid?

De economie draaiende houden

Om het coronavirus in te dammen, moesten veel organisaties de voorbije weken voorzorgsmaatregelen nemen. Van een verplichte sluiting, over maximaal thuiswerk, tot social distancing op de werkvloer. Op die manier hoopt de Economic Risk Management Group, die de regering bijstaat in de aanpak van de coronacrisis, onze economie draaiende te houden.

De oproep om de economische keten niet stil te laten vallen, geldt voor alle bedrijven, maar zeker voor ondernemingen die onze cruciale sectoren – zoals politiediensten, de voedingssector en medische zorginstellingen – ondersteunen. Zij moeten zoveel mogelijk actief blijven.

Aanlevering en diagnostiek waarborgen

Die noodzaak ervaren ze ook bij BD Benelux, producent van diagnostische en medische oplossingen. “Onze medische toepassingen worden dagelijks gebruikt in de gezondheidssector. Zo raken we meer dan twintig patiënten per seconde. In heel Europa: in de reportages over de zwaar geteisterde Italiaanse ziekenhuizen, zie je op elk beeld wel een product van ons. Belangrijk dus dat de aanlevering ervan gewaarborgd blijft”, onderstreept Alexander Alonso, General Manager van BD Benelux.“Tegelijk dragen we ook bij op het vlak van diagnostiek: twee weken geleden registreerden we een COVID-19 moleculaire test die volledig aan het WHO-protocol voldoet en, zodra de productiecapaciteit voldoende is opgeschaald, geïmplementeerd kan worden in ziekenhuislabo’s die onze BD MAX™ gebruiken. Op twee uur tijd test je dan of iemand besmet is met het coronavirus.”

Thuiswerk en virtuele koffiepauzes

Tal van managers zagen de voorbije weken de veerkracht van hun onderneming op de proef gesteld worden. Er werd bekeken hoe bedrijven operationeel konden blijven, zonder medewerkers onnodige risico’s te laten lopen. Hiervoor werd vooral de switch naar thuiswerk gemaakt. Uit een bevraging van hr-consultant Hudson bij 150 bedrijven blijkt dat 95 procent hiernaar overstapte. Ook BD Benelux: “Van onze 1.200 medewerkers werken er momenteel meer dan 700 thuis. Die omslag maakten we op een kleine week tijd: we investeerden in Microsoft Teams, zodat we vanop afstand kunnen samenwerken en virtuele koffiepauzes kunnen houden, en zorgden voor laptops, schermen, internetpakketten, maar ook ergonomische stoelen – voor wie dat nodig heeft – en desinfecterende handgels.”

Veilig en verder uit elkaar

Wanneer thuiswerk niet mogelijk is, in productieomgevingen bijvoorbeeld, moeten werkgevers zich op vraag van de overheid zo organiseren dat de veiligheid van de werknemers gewaarborgd wordt. Denk aan de social distancing-regel, waarbij er een afstand van 1,5 meter tussen elke persoon moet zijn. “Ook wij hanteren die maatregel in onze distributiecentra in Olen en Temse, van waaruit alle Europese ziekenhuizen worden bevoorraad. Die keten mag niet stilvallen”, verduidelijkt Alonso.

“De operators werken verder uit elkaar en iedereen krijgt mondmaskers en handschoenen. Dat geldt ook voor onze installateurs. De vraag naar infuuspompen verdrievoudigde omdat steeds meer ziekenhuisbedden omgevormd worden tot intensive care-bedden. Om die veilig te plaatsen, krijgen onze installateurs een veiligheidskit mee met handschoenen, wegwerpshort, desinfecterende handgel en ontsmetter.”

Business continuity plan

Snel schakelen en een grote dosis flexibiliteit trekt de meeste organisaties vandaag door de coronacrisis. Toch schuilt achter deze schijnbaar ad hoc-regelingen een grondige voorbereiding. Bedrijven die pas in actie schieten wanneer het probleem zich stelt, komen immers te laat met doeltreffende oplossingen. De FOD Economie raadt dan ook aan om preventief bedrijfscontinuïteitsplannen op te stellen die de risico’s identificeren en de impact ervan beperken. “Ook bij BD hadden we zo’n business continuity plan in de schuif liggen”, bevestigt Alonso. “Belangrijk dat je als onderneming een B- en zelfs een C-plan hebt. Niet alleen met het oog op een pandemie, maar ook wanneer er een brand op de site uitbreekt of een grote stakingsgolf het werken verhindert, kan dit helpen om de continuïteit te garanderen.”

“Belangrijk dat je als onderneming een B- en zelfs een C-plan hebt. Dit kan helpen om de continuïteit te garanderen, niet alleen met oog op een pandemie.”

Onvoldoende buffers

Hoewel viroloog Marc Van Ranst eind februari al waarschuwde voor een pandemie en alle sectoren aanraadde om zich daarop voor te bereiden, gebeurde dit maar met mondjesmaat. Volgens een onderzoek van de Vlerick Business School had slechts 15 procent van de ondernemingen voorafgaand aan deze crisisperiode een calamiteitenplan opgemaakt. En dat terwijl het stilvallen van ondernemingen grote risico’s inhoudt: bedrijfsdata-expert Graydon becijferde dat 55 procent van de Belgische vennootschappen niet de buffers heeft om twee maand omzetverlies op te vangen.

Mindshift in flexwerk

Er vallen voor bedrijfsleiders dan ook heel wat lessen te trekken uit de huidige coronacrisis, zowel op het vlak van risicomanagement als op het vlak van hr. Zo zou het coronavirus wel eens kunnen werken als katalysator voor thuiswerk, iets wat enkele maanden geleden nog maar 22 procent van de Belgen regelmatig mocht doen, aldus een rapport van de FOD Mobiliteit. “Bij BD waren we al sterk op weg naar flex- en thuiswerk, maar merkten we nog enige aanpassingsmoeilijkheden. Vandaag zijn we er noodgedwongen volledig ingerold en zie ik bij de meeste mensen een mindshift. ‘Elk nadeel heb z’n voordeel’, zei Johan Cruijff ooit”, lacht Alonso.

Experts durven dan ook te dromen van een silver lining. Als de coronastorm is overgewaaid, komen onze bedrijven misschien wel gezonder weer boven water en wacht ons wellicht een nieuwe manier van werken en zakendoen.



BD
is een wereldwijd medisch-technologisch bedrijf met als doelstelling ‘Advancing the world of health’, door het bevorderen van medische innovatie, diagnostiek en zorg. ​Het bedrijf zet zich dagelijks in om de klinische resultaten voor patiënten te verbeteren – van laboratorium tot ziekenhuis, van huisarts tot thuiszorg. ​De focus ligt op het verbeteren van de veiligheid van zowel patiënten​ als zorgverleners​ en het verhogen van de efficiëntie in de gezondheidszorg. BD Benelux telt ruim 1.200 medewerkers en is met de Europese distributiecentra in Temse en Olen, en het kantoor in Erembodegem een belangrijke hub van BD in Europa.

Medische ‘gouden standaard’ wikt de kosten

Omdat medische budgetten geen bodemloos vat zijn, maken ziekenhuizen steeds kritischer de financiële afweging bij de aanschaf van nieuwe technologie. De toekomst zit in multi-inzetbare apparatuur en overleg tussen disciplines.

Neurochirurg dr. Tyberghien van Europa Ziekenhuizen stelde de voorbije jaren enorme ontwikkelingen vast in de medische beeldvorming. Zelf kwam hij voor een belangrijke beslissing te staan bij de vernieuwing van zijn operatiezaal. “Vroeger waren in de wervelchirurgie enkel anatomische referentiepunten van tel tijdens de operatie. Nu zijn er verschillende systemen op de markt om bijvoorbeeld implantaten te plaatsen. Die combineren een peroperatieve scannerfunctie met een uiterst precieze navigatie.”

“Alleen multidisciplinair overleg kan een optimaal rendement garanderen van medische technologie.”

Om de beste keuze te maken tussen de diverse opties, keek de arts verder dan de technologische gouden standaard. “De huidige trend van hyperspecialisatie maakt dat medische toestellen te vaak ongebruikt blijven. Een technologische investering kan alleen optimaal renderen als zo’n toestel door meerdere disciplines gebruikt kan worden. Daarom zijn we in nauw overleg gegaan met onze collega’s vaatheelkunde, radiologie en orthopedie.”

Het resultaat was de aankoop van een multidisciplinair inzetbaar toestel. “Als artsen hebben we met onze budgettaire keuzes een voorbeeldrol te spelen,” besluit Tyberghien. “Niet in het minst omdat we er ook een meerwaarde mee kunnen betekenen voor de patiënt.”


 

De Europa Ziekenhuizen zijn een referentieziekenhuis voor Brussel en omgeving. Als meertalig algemeen ziekenhuis bieden wij een volledig zorgaanbod aan op onze drie sites, St-Elisabeth in Ukkel, St-Michiel in Etterbeek/Europese Wijk en het Bella Vita Medical Center in Waterloo.

België: pharma valley van Europa

In België werken er meer dan 37.000 mensen in de farmaceutische sector. Ons land heeft een uitmuntende reputatie op het vlak van onderzoek en ontwikkeling naar geneesmiddelen en vaccins. Maar ook de productie en export van farmaceutische producten mogen niet vergeten worden.

Wetenschappers van de bovenste plank, een groot netwerk van ziekenhuizen, hoogopgeleide medewerkers, verscheidene start-ups… zorgen ervoor dat de farmaceutische industrie in België ook wel eens de pharma valley van Europa wordt genoemd. Dat is terecht, want geen enkel ander Europees land evenaart België wat betreft investeringen in de farmaceutische sector. De hoge investeringen in onderzoek en ontwikkeling zorgen voor verschillende opportuniteiten op het vlak van tewerkstelling en innovatie.

Cruciaal samenwerken

Alvorens patiënten toegang krijgen tot innovatieve therapieën, wordt er een lange en complexe weg afgelegd. In onze sector is het cruciaal om deze weg samen af te leggen, door samenwerkingen tussen universiteiten, academische expertisecentra en ziekenhuizen. Alles begint namelijk bij uitgebreid wetenschappelijk onderzoek. Dankzij de uitzonderlijke expertise, de continue investeringen en hoogopgeleide onderzoekers is België een topland voor klinisch onderzoek.

Aanslepend onderzoek

In 2018 waren er elke dag niet minder dan 5.300 researchers actief en gemiddeld dienden zij elke werkdag twee nieuwe aanvragen tot onderzoek in. Die dure onderzoeken kunnen jarenlang aanslepen en soms duurt het zelfs tot 10 à 15 jaar alvorens een team wetenschappers een nieuw medicijn ontdekt dat voor patiënten het verschil maakt.

“De sector valt vaak in de prijzen dankzij een innovatief hr-beleid.”

Hoogste kwaliteitsnormen

Als de cruciale onderzoeksfase succesvol is afgerond, wordt het productieproces op gang gebracht. Dat proces is er een van lange adem, onderhevig aan de hoogste kwaliteitsnormen. Voor sommige complexe biologische geneesmiddelen of vaccins kan het meerdere jaren in beslag nemen. Ook in deze fase drukt België zijn stempel, met 37 productiesites waar duizenden medewerkers zich elke dag opnieuw inzetten om innovatieve therapieën te produceren en verpakken.

Jobs creëeren

Bovendien exporteert ons land jaarlijks voor meer dan 40 miljard euro aan farmaceutische producten naar de rest van de wereld. De impact hiervan op de lokale tewerkstelling valt niet te onderschatten. Daarnaast zijn er ook verschillende partners van cruciaal belang, zoals transportbedrijven, luchthavens, groothandelaars, grondstofproducenten… De geneesmiddelenindustrie stelt meer dan 37.000 mensen rechtstreeks tewerk, en elk van deze jobs zorgt daarnaast nog eens voor twee bijkomende jobs in andere sectoren.

Inclusief en divers

Het is duidelijk dat we in een bruisende en aantrekkelijke sector werken waar elke medewerker zich iedere dag opnieuw inzet om innovaties beschikbaar te maken om het leven van de patiënt te verbeteren. Maar daar blijft het niet bij. Ook het welzijn en de ontwikkeling van onze medewerkers zijn belangrijk. We ijveren voor een inclusieve en diverse bedrijfscultuur. Persoonlijke ontwikkeling staat centraal en we kunnen mooie perspectieven en carrièremogelijkheden bieden voor mensen die dit nastreven. De bedrijven uit onze sector vallen dus (niet geheel onverwacht) regelmatig in de prijzen op vlak van een innovatief hr-beleid.

Internet of Medical Things waakt over je gezondheid

Het Internet der Dingen maakt onze huizen slimmer, onze industrie performanter, onze magazijnen veiliger. Nu speelt de technologie ook haar troeven uit in de medische zorg. De inzet: meer comfort en een betere preventie voor de patiënt.

Herinnering aan de intrede van het internet: ontstaan als een netwerk tussen computers waarop mensen informatie met elkaar uitwisselen in de vorm van e-mails en files. “Later zijn we ook objecten aan dat internet beginnen koppelen”, legt CEO Henk Schwietert van innovatief technologie-ontwikkelaar Evalan uit. “Apparaten en voertuigen gingen gegevens naar het internet sturen – en omgekeerd – om die data vervolgens te kunnen opslaan, verwerken en beschikbaar stellen. Dat fenomeen zijn we het Internet of Things gaan noemen. Als het om medische toepassingen gaat, heet dat vandaag Internet of Medical Things.”

Exponentiële dataverwerking

Een aantal factoren hebben de evolutie in IoMT de afgelopen tien jaar opmerkelijk versneld, wijst Schwietert aan. “Er zijn enorme ontwikkelingen geweest op gebied van elektronica en datacommunicatie. Die hebben de mogelijkheden voor dataverwerking exponentieel uitgebreid, terwijl de kosten zijn gedaald. Intussen zijn we er ook allemaal zodanig aan gewend geraakt om dingen digitaal en vanop afstand te kunnen regelen, dat nu ook de medische wereld klaar lijkt voor verandering.”

Op weg naar de gebruiker

Die medische wereld is behoedzaam, weet Philip Hendrickx van healthcare scale-up Oxypoint. “Nieuwe technologie vindt makkelijker zijn ingang in andere domeinen. Iedereen kent wel de slimme polshorloges die sporters helpen om hun hartslag te meten of stappen te tellen. In de professionele zorgverlening duurt het wat langer voor zulke IoMT-applicaties de weg naar de gebruiker vinden. Eerst moeten diepgaande klinische studies bewijzen of ze inderdaad relevant, veilig en effectief zijn.”

Info koppelen

Maar eens die horde is genomen, ligt de markt open, beamen beide technologen. “Wereldwijd zie je nu toepassingen ontstaan van bijvoorbeeld de ‘elektronische neus’”, illustreert Schwietert. “We wisten al langer dat onze uitgeademde lucht interessante info bevat over onze fysieke gezondheid. Maar tot voor kort konden we betekenisvolle moleculen nog niet koppelen aan bepaalde ziektebeelden. Het Internet of Things biedt nu die technologie.”

Therapie thuis uitzitten

“Bij Oxypoint hebben we enkele jaren geleden een toestel ontworpen voor zuurstoftherapie dat de ademhaling volgt”, geeft Hendrickx als voorbeeld. “Van daaruit zijn we verder beginnen nadenken hoe we – letterlijk in één adem – ook andere nuttige data konden registreren. Zopas hebben we het prototype van een toestel gelanceerd dat automatisch een aantal vitale parameters als hartslag, temperatuur en bloeddruk gaat opmeten bij de patiënt. Die worden meteen weggeschreven in het elektronisch patiëntendossier.” Het resultaat is een hoger comfort voor de patiënt en een vermindering van de administratieve last voor het verplegend personeel, vat Hendrickx samen. Patiënten kunnen dankzij de technologie ook makkelijker thuis hun therapie uitzitten.

Sneller bijsturen

Een effectievere verzameling van data laat toe om problemen sneller te detecteren en behandelingen op maat te creëren, bevestigt Schwietert. “Zelf hebben we bij Evalan een slim paar sandalen ontwikkeld dat meet hoeveel belasting je uitoefent op het been terwijl je loopt. Uit die data kun je als arts of therapeut opmaken of iemand dan goed revalideert. Je kunt sneller bijsturen, waardoor de kans groter is dat de patiënt volledig zal herstellen.”

“Uit data kun je als arts of therapeut opmaken of iemand goed revalideert. Je kunt sneller bijsturen, waardoor de kans groter is dat de patiënt volledig zal herstellen.”

Slimmere zorginstellingen

De inzet van IoMT leidt ertoe dat zorgprocessen efficiënter verlopen. “Dat geldt overigens niet alleen voor personen, maar ook op vlak van logistiek”, zegt Schwietert. “Vandaag maken allerlei sensornetwerken industriële gebouwen en kantoren slimmer. Als je dezelfde technologie zou inzetten in zorginstellingen, kun je bijvoorbeeld opvolgen waar alle infuuspompen zich bevinden en of ze ook allemaal gebruikt worden.”

“Waar volgens mij nog een versnelling zit, is in de samenwerking tussen technologiebedrijven en zorginstellingen”, klinkt het besluit. “Pas als die er samen in slagen om systematisch naar implementaties toe te werken, zullen we de echte toegevoegde waarde van IoMT zien.”

Facilitaire diensten: niet zo ‘facile’

Ziekenhuizen streven vandaag ook op gevoelsvlak naar een ‘healing environment’. Want de geur van koffie werkt nu eenmaal beter dan die van ontsmettingsmiddel. Facilitaire diensten zijn de vaandeldragers. Maar tegenover groeiende eisen staan krimpende middelen.

In het woord patiënt zit het Franse woord ‘patienter’, ofwel ‘geduld hebben’, leert Luc Vanhaverbeke, diensthoofd facilitaire dienst van het UZ Leuven, ons een stukje etymologie. “Maar wie wil er vandaag nog geduldig zijn beurt afwachten op een koude stoel in een kale gang?”

Vroeger was het zo…

“Die term ‘patiënt’ mag wat ons betreft worden weggezet in de encyclopedie”, beantwoordt Vanhaverbeke zelf zijn vraag. “Liever hebben we het in de facilitaire dienstverlening over een klant of een gast. En net zoals thuis willen we het die gast ook in het ziekenhuis zo aangenaam mogelijk maken.” Het facilitair diensthoofd haalt zich zonder veel nostalgie een ziekenhuiskamer van twintig jaar geleden voor de geest. “Kabeltelevisie was toen al lang ingeburgerd bij mensen thuis, maar in het ziekenhuis hadden we nog geen tv op de kamer. Dat vond toen blijkbaar niemand belangrijk. En uiteraard, je komt niet naar een ziekenhuis om er te logeren, lekker te eten of je soapserie te volgen. Typisch is wel: terwijl mensen de kwaliteit van een medische ingreep meestal niet kunnen vergelijken of beoordelen, doen ze wel hun zegje over het eten, de schoonmaak of de grootte van de parkeerplaatsen.”

Speciale behoeften

Duiden op het feit dat de eisen van de klant met ieder decennium zijn gestegen, is een open deur intrappen. “De voorkeuren zijn ontzettend divers”, stelt Vanhaverbeke. “Een gevarieerde keuze aanbieden is zelfs geen luxe meer. Op vlak van maaltijden bijvoorbeeld, krijgen we steeds meer klanten bij ons met speciale behoeften: gasten met bepaalde voedingsregimes of allergieën, mensen met een andere geloofsovertuiging, vegetariërs… Waar je als sterrenrestaurant of hamburgerketen nog vrij goed de wensen van je clientèle kunt inschatten of bespelen, komt in een ziekenhuis zowat iedereen over de vloer.”

“De voorkeuren zijn ontzettend divers. Een gevarieerde keuze aanbieden is zelfs geen luxe meer.”

Service met een human touch

De belangrijkste opdracht waar facilitydiensten vandaag voor staan, is om de klant zo goed mogelijk te leren kennen, meent het facilitydiensthoofd. Dat mag nu zelfs persoonlijk, weet directeur Tony Vanlaeke van facilitaire dienstverlener ISS. “Contact maken met de patiënt was iets wat facilitaire medewerkers vroeger werd afgeleerd. Het poets- of cateringpersoneel werd erop getraind om geruisloos op te gaan in het behang. Nu gaan facilitybedrijven speciaal opleiding geven aan hun mensen voor een service met een ‘human touch’.”

Waardegedreven zorg

Een praatje slaan over alledaagse dingen als het weer of ‘de boekskes’ mag tegenwoordig. “Value based healthcare of waardegedreven zorg, heet dat dan”, haalt Vanlaeke aan. “Vroeger stond de klant in alles centraal. Later klonk het: zolang het betaalbaar blijft. En nu ligt de focus op beleving, maar wel zonder bijkomend budget. Het voordeel van een vriendelijke service is dat het een ziekenhuismanagement niets kost.”

Trein der traagheid

De financiële tsunami waarop de ziekenhuissector zich al een tijdje voorbereidt, is tot nu toe eerder een golfbeweging geweest, constateert Vanlaeke. “Wel denk ik dat de vloed niet lang meer op zich laat wachten. Het recent geïnstalleerde ziekenhuisnetwerk beoogt een bundeling van de middelen. Maar de Belgische regelgever rijdt de trein der traagheid. De lastenboeken blijven intussen liggen, terwijl er al wel geknipt wordt in de budgetten.”

“Vroeger stond de klant in alles centraal. Later klonk het: zolang het betaalbaar blijft. En nu ligt de focus op beleving, maar wel zonder bijkomend budget.”

Kamerverkeer

Ziekenhuiskeukens worden bijvoorbeeld niet langer gesubsidieerd, geeft de ISS-directeur aan. “Ofwel moeten ziekenhuizen hun keukens met eigen middelen financieren, ofwel moeten ze catering op een andere manier bekijken.” Ook de inkorting van de ligdagen heeft een impact op facilities. “Kamers moeten zo vlug mogelijk vrijgegeven kunnen worden. Sommige facilitybedrijven en ziekenhuizen hebben het kamerverkeer en de bijhorende schoonmaakplanning al volledig gedigitaliseerd.”

Mens en handeling

Facilitaire dienstverleners spannen zich in om hun services zo effectief mogelijk neer te zetten, observeert Vanlaeke. Ook logistiek ligt er een uitdaging. “Dagelijks rijden bij een ziekenhuis tientallen vrachtwagens op en af om goederen te leveren. Mochten we die vloot kunnen reduceren door producten te groeperen, dan zou dat tegelijk ook een betere screening en tracing opleveren. Een deel van de oplossing ligt in een betere afstemming van mensen en handelingen.”

‘2 miljoen euro voor een robot? Een koopje!’

Professor Karel Decaestecker (UZ Gent) pioniert met robotchirurgie, Marnix Denys (beMedTech) is de spreekbuis van de bedrijven achter de pacemakers, implantaten en chirurgietoestellen. Ook al kennen de twee elkaar niet, hun visie op de toekomst van onze gezondheidszorg loopt opvallend gelijk. Beiden breken een lans voor technologie, een nieuwe ziekenhuisfinanciering en een intensere samenwerking tussen de medische industrie en de zorgverstrekkers.

Professor Karel Decaestecker (UZ Gent) voerde in 2017 als eerste in Europa een robotgeassisteerde autotransplantatie van een nier uit. De robot is intussen een vertrouwd instrument tijdens zijn operaties. Wanneer hij als uroloog nier- en blaastumoren te lijf gaat, is dat in 90 procent van de gevallen met de robot. Om de robotchirurgie naar een hoger niveau te tillen – denk aan de integratie van virtual en augmented reality en big data-analyse –, leent de jonge arts zijn kennis en kunde graag aan industriële partners uit. Geen verrassing dus dat hij de uitnodiging voor een gesprek met Marnix Denys van beMedTech, de Belgische federatie van de medisch-technologische industrie, meteen aanvaardde.

Opereren met een robot, hoe gaat dat in zijn werk?
Karel Decaestecker (UZ Gent): “Als chirurg sta ik zelf niet langer aan de operatietafel, maar neem ik plaats in een robotconsole. Ik bedien de robot via joysticks, waarna die de complexe bewegingen naar miniatuurinstrumenten in het lichaam vertaalt. Vanuit de console heb ik een perfect zicht op wat er in het lichaam gebeurt. Ik kan de beelden vergroten en zelfs in 3D bekijken. Anders dan bij een klassieke kijkoperatie moet ik geen uren aan een stuk in dezelfde houding staan, wat de kwaliteit van de operatie ten goede komt. De robot beschikt ook over polsgewrichten waardoor de uitvoering van de handelingen preciezer en de mogelijkheden tijdens de operatie groter zijn. De komst van de robot betekent voor chirurgen een grote stap vooruit.”

Wat is de winst voor de patiënt?
Decaestecker: “De insneden zijn kleiner, waardoor de patiënt sneller herstelt en minder pijn heeft. Ook het risico op complicaties is kleiner. Dat hebben we duidelijk kunnen vaststellen toen we in het UZ Gent zijn overgestapt van blaaswegname via open chirurgie naar blaaswegname via robotchirurgie. Het aantal ernstige complicaties is met de helft gedaald, net als het aantal ligdagen in het ziekenhuis. In 2015 bleven patiënten na zo’n ingreep gemiddeld achttien dagen in het ziekenhuis. Bij ons zijn dat er nu nog maar acht. En het aantal heropnames is niet gestegen.”

Marnix Denys (beMedtech): “Dat is indrukwekkend. Het bewijst dat technologische vernieuwing de medische en maatschappelijke kosten kan terugdringen. Het is jammer dat het financieringsmodel van ziekenhuizen daar niet op afgestemd is. Ziekenhuizen in ons land krijgen geld voor het aantal handelingen dat ze uitvoeren, ongeacht de uitkomst ervan. Ze worden niet aangemoedigd om technologieën aan te kopen die hen in staat stellen efficiënter en kwaliteitsvoller te werken.”

Zou technologie sneller bij de patiënt raken als ziekenhuizen anders gefinancierd worden?
Decaestecker: “Dat lijkt me duidelijk. Het is dankzij de investering van het UZ Gent dat ik deze specialisatie heb kunnen ontwikkelen en een autoriteit kon worden in het maken van vervangblazen en het uitvoeren van niertransplantaties via robotchirurgie. Andere ziekenhuizen zetten daar niet op in en werken op de oude manier verder. De patiënt zelf is zich daar in veel gevallen niet van bewust. Er wordt verondersteld dat de arts in dat andere ziekenhuis hem of haar even goed zal behandelen. In werkelijkheid kan het anders én beter.”

Karlen en Marnix
Karel Decaestecker & Marnix Denys | © Sandra Mermans

“Het zou zeer interessant zijn als studenten in ons land een opleiding tot arts-ingenieur zouden kunnen volgen.”
— Karel Decaestecker

Hoe moet die andere financiering er dan uitzien?
Denys: “Minder prestatiegeneeskunde, meer pay for quality. De overheid zou bijvoorbeeld kunnen beslissen om in het geval van die blaaswegnames een bonus te geven als het ziekenhuis erin slaagt het aantal ligdagen of complicaties drastisch te verminderen. Dat zou het ziekenhuis kunnen motiveren om wél in robotchirurgie en andere medische technologieën te investeren. In de praktijk betekent het dat er een verschuiving in de budgetten moet komen, wat in de huidige context natuurlijk moeilijk ligt. De gezondheidszorg staat onder druk en ieder schermt voor zijn eigen belang en zijn eigen centen.”

Decaestecker: “De commentaar die ik regelmatig te horen krijg is: ‘Waarom 2 miljoen euro neertellen voor een robot, als je net zo goed je handen kunt gebruiken?’ Investeren in technologie wordt vaak als een zuivere kost gezien, terwijl er duidelijk aantoonbare maatschappelijke en financiële terugverdieneffecten zijn.”

Denys: “Als je bedenkt hoeveel patiënten je met zo’n robot kunt helpen, dan stelt die 2 miljoen euro niet veel voor. Ik zou het zelfs een koopje noemen, zeker in vergelijking met de hoge bedragen die bijvoorbeeld voor kankerbehandelingen worden gevraagd. Sommige daarvan leveren voor de patiënt slechts enkele maanden extra time op, met bovendien weinig levenskwaliteit, en toch worden die sommen betaald. Er is dringend nood aan meer rationaliteit in de financiering. We moeten ons afvragen waar onze euro’s het meest waard zijn en de moed hebben om van het ene naar het andere potje te verschuiven.”

“Dat er helemaal niet met de industrie mag gesproken worden, is larie. Dat zou de medische ontwikkelingen eerder afremmen dan ondersteunen.”
— Marnix Denys

Welke technologische ontwikkelingen staan er nog aan de deur te dringen?
Decaestecker: “Zonder twijfel is dat artificiële intelligentie, in combinatie met virtual en augmented reality. Machines of robots zijn in staat om snel patronen te herkennen en lessen te trekken uit de CT- en MRI-scans van patiënten. Die informatie helpt chirurgen om accurater en veiliger te werken. Met behulp van 3D-modellen en VR, bijvoorbeeld, wordt de anatomie van de patiënt op voorhand goed doorgrond en de ingreep ingeoefend. Bij delicate ingrepen, waarbij je snel moet handelen, is dat een zeer welkome tussenstap. Dat ervaar ik bijvoorbeeld zelf bij de behandeling van een niertumor. Omdat je de slagader moet afklemmen, heb je niet meer dan een halfuur de tijd om de tumor weg te nemen. Zoniet, sterft de nier geleidelijk af. Door de ingreep op voorhand te plannen, verhogen de slaagkansen aanzienlijk. Waar ik eveneens naar uitkijk, is de mogelijkheid om die gereconstrueerde modellen tijdens de operatie ‘over’ de realtime beelden te kunnen ‘leggen’. De robot leidt je dan als het ware doorheen de ingreep en toont je GPS-gewijs welke stappen je moet zetten.”

Denys: “Diezelfde technologieën zie je ook in andere disciplines opduiken. Radiologen bijvoorbeeld kunnen met de hulp van AI veel sneller pathologieën detecteren. In het verleden moest een radioloog steunen op eigen kennis en ervaring om röntgenfoto’s, CT-scans en MRI’s te interpreteren. Nu kan hij of zij met de hulp van AI en zelflerende algoritmes in een vingerknip duizenden beelden analyseren en vergelijken, waardoor afwijkingen veel sneller aan de oppervlakte komen. VR kan dan weer gebruikt worden om patiënten onder klinische hypnose te brengen. Het kan zelfs voor een stuk de verdoving bij een operatie vervangen. En ook bij pijnbehandeling en revalidatie kan het gebruik van een VR-bril nuttig zijn.”

In welke mate verandert technologie het werk van de zorgverleners?
Denys: “Dat is onvermijdelijk zo, maar dat hoeft niet negatief te zijn. Ik ben ervan overtuigd dat technologie vooral de saaie repetitieve taken uit handen zal nemen, waardoor de zorgverleners zelf zich meer op het empathische en het contact met de patiënt kunnen concentreren. Het aantal 67-plussers in ons land zal de komende tien jaar verder stijgen, van 1,9 naar 2,4 miljoen volgens de prognoses van de FOD Economie (rapport 2017). De druk op het budget en het personeel zal dus verder toenemen. Daarbij komt dat ook de zorgverstrekkers zelf verouderen en uitstromen. Als apps, algoritmes en andere technologische vernieuwingen ons helpen om de zorgprocessen te verbeteren, dan moeten we die kans vooral met beide handen grijpen. Niemand in de zorg moet vrezen dat hij of zij overbodig wordt. Er is werk genoeg.”

Professor Decaestecker, de robot verandert niet alleen jouw job, maar ook die van je collega’s in de operatiezaal. Op welke manier?
Decaestecker: “Ikzelf neem plaats in de robotconsole, maar de assistent-chirurg en de verpleegkundige staan nog altijd bij de patiënt rond de tafel. Zij reiken instrumenten aan, zuigen bloed weg, enzovoort. Anders dan bij de klassieke heelkunde staan zij niet meer midden in het operatieveld. Ze volgen vanop een scherm wat er gebeurt, waardoor het gevoel van betrokkenheid lager kan liggen. Sommige collega’s hebben het daar moeilijk mee. Teamspirit en communicatie zijn hier extreem belangrijk. Ik verwacht ook dat de ontwikkelingen met AI en deep machine learning de efficiëntie van het team zullen verbeteren. De robot zal dan bijvoorbeeld kunnen vertellen in welke fase van de operatie we ons bevinden.”

Wie weet zal de robot op een dag volledig zelfstandig kunnen opereren?
Decaestecker: “Dat is sciencefiction. Bepaalde chirurgische handelingen zullen wellicht geautomatiseerd worden, maar ik geloof niet dat de robot de ingreep volledig zal overnemen. De robot zal de chirurg helpen om beter te worden en om sneller, veiliger en accurater te opereren, maar zal nog altijd zelf aan het stuur zitten. Het beslissingsproces blijft bij de arts. Ook het menselijke, over hoe we met ziekte en genezing omgaan, kun je onmogelijk aan robots overlaten.”

Hoe stomen we zorgverleners klaar om met deze technologieën om te gaan?   Decaestecker: “Investeren in opleiding is essentieel. Het is de beste manier om de kosteneffectiviteit van je nieuwe technologie te garanderen. Met een robot leren werken is niet eenvoudig en vraagt veel training. Ikzelf heb bijna een jaar nodig gehad om alle hendels, pedalen en knoppen in de vingers te krijgen en de verschillende robotarmen te kunnen bedienen. Het is ook niet omdat je met de ene robot kunt werken dat je met de andere aan de slag kunt gaan. Het is elke keer weer trainen. Daarnaast zijn er de operatiespecifieke handelingen die je moet inoefenen. Ook dat vraagt tijd. Het goede nieuws is dat er veel technieken en leerinstrumenten voorhanden zijn om je in robotgeassisteerde chirurgie te bekwamen. Chirurgen in opleiding kunnen operaties tot in de kleinste details op het scherm volgen. Dat is helemaal tegenovergesteld aan de situatie vroeger, waar je vanachter het hoofd en de handen van de professor iets moest proberen op te pikken. Artsen in opleiding moeten ook niet meteen op een patiënt oefenen, maar kunnen in simulators, op geprinte 3D-modellen, dierlijke en eventueel menselijke kadavers trainen. Het is mogelijk om de hele leercurve van de patiënt weg te trekken, wat naar veiligheid en efficiëntie toe een enorm voordeel is.”

Wie organiseert deze opleidingen?
Decaestecker: “In België kunnen chirurgen terecht in de ORSI Academy in Melle. Onder de supervisie van kennisinstellingen zoals de KU Leuven en de UGent organiseren robotexperts van over de hele wereld – academici en niet-academici – leertrajecten rond robotchirurgie. Ikzelf geef er bijvoorbeeld opleidingen over robotgeassisteerde niertransplantaties en het aanleggen van een vervangblaas. De technologiebedrijven ondersteunen met robots en ander chirurgisch materiaal, en soms organiseren ze zelf trainingen. Als academicus moet ik voorzichtig zijn met mijn uitspraken, maar wat mij betreft zouden er meer van dergelijke samenwerkingen met de industrie mogen komen, ook naar onderzoek toe. Ik droom van een ecosysteem waar onderzoekers, artsen en bedrijven zich samen over klinische vraagstukken buigen. Voor een stuk is dat nu aan het gebeuren via ORSI Innotech, waar een project rond peri-operatieve digitale planning bij gedeeltelijke nierverwijdering via robotchirurgie (automatiseren van 3D-reconstructies, beeldintegratie, virtual reality en endoscopische videoanalyse) gepland staat. Van onze kant hebben we daarvoor een ingenieur-uroloog aangetrokken. Hij zal erop toezien en er mee voor helpen zorgen dat de technologie zodanig ontwikkeld wordt dat ze aan de noden van de praktijk beantwoordt, en dus effectief tot in het ziekenhuis en bij de patiënt zal raken. Dat is een rol die ik sowieso graag wil zien verschijnen. Ik zou het zeer interessant vinden als studenten in ons land een opleiding tot arts-ingenieur kunnen volgen. Dat zou de technologietransfer ten goede komen.”

Denys: “Ik ben blij te horen dat die banden met de industrie worden aangehaald. Als je technologieën wilt maken die echt nuttig zijn, dan is uitwisseling van ideeën cruciaal. Uiteraard moet je daar een grote ethische kanttekening bij maken. Zorgverstrekkers moeten te allen tijde onafhankelijk kunnen blijven. Maar dat er helemaal niet met de industrie mag gesproken worden, zoals sommigen beweren, is larie. Dat zou de medische ontwikkelingen eerder afremmen dan ondersteunen.”

Medische innovaties: de overheid is op achtervolgen aangewezen

Door de opkomst van apps, sensoren, wearables en medische hulpmiddelen, maar ook bijvoorbeeld nieuwe soorten voedingssupplementen, wordt de afstand tussen de consument en de farmasector steeds kleiner. De overheid heeft het lastig om voor dit soort behandelingen een adequaat kader uit te tekenen. Hoe moet een farmaceutisch distributeur hiermee omgaan? Country Manager voor België en Luxemburg bij Truvion, Peter Schroven, legt uit.  

Het arsenaal aan producten en diensten dat de medische sector tegenwoordig aanbiedt, is gigantisch groot en divers. Een medische behandeling van twintig jaar geleden ziet er daarom vaak heel anders uit dan de aanpak van vandaag en vooral die van morgen.

Medisch en technologisch

“Vroeger bestond de behandeling van een ziekte of aandoening vaak uit één of meerdere geneesmiddelen die werden voorgeschreven door de behandelend arts”, zegt Schroven. “De hoeveelheid apparatuur en middelen die vandaag ter beschikking staat van het medische en het paramedische corps, maar ook meer en meer van de consument, is exponentieel gegroeid. Denk maar aan alle wearables en sensoren die we nu hebben, maar ook bijvoorbeeld andere medische hulpmiddelen en voedingssupplementen.”

Snelheid van innovatie

Die ontwikkeling juicht de innovatieve farmaceutisch distributeur toe, maar brengt ook uitdagingen mee. “Hoewel er reeds bepaalde initiatieven werden genomen op dit vlak, door onder andere het Ministerie van Volksgezondheid, blijven de overheidsinstanties het moeilijk hebben met de snelheid van innovatie in de medische sector”, legt Schroven uit. “Neem bijvoorbeeld het vergoedingssysteem zoals het vandaag de dag bestaat. Voor geneesmiddelen is dat zeer goed uitgebouwd, maar voor medische hulpmiddelen, voedingssupplementen en dienstverlening vanuit de industrie bestaat er eigenlijk niets. Voor behandelingen vanuit ziekenhuizen is alles goed geregeld, vanuit bedrijven dan weer helemaal niet. Waardoor de patiënt natuurlijk ook niet snel geneigd zal zijn om hieraan te beginnen.”

“Door de razendsnelle technische evolutie is het voor de overheid erg moeilijk om innovatieve behandelingen klinisch te valoriseren.”

Te strenge wetgeving?

Uiteraard is het niet meer dan normaal dat er een strenge wetgeving bestaat rond medische opvolging en farmaceutische behandelingen, zegt Schroven. Maar het gevaar bestaat dat we op die manier goede, innovatieve behandelingen in België aan ons voorbij laten gaan. “Door de razendsnelle technische evolutie is het voor de overheid erg moeilijk om die klinisch te valoriseren. Ook rond bijvoorbeeld aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid zitten we nog in een grijze zone. Als het alarm op je wearable niet afgaat en je sterft aan een hartaanval, wie is er dan schuldig? Dat is natuurlijk complexe materie. Ook in heel het privacyvraagstuk is het laatste nog niet gezegd. De GDPR-wetgeving werd, volkomen terecht overigens, de laatste jaren verstrengd ingevoerd. Willen we wel in de gaten gehouden worden, ook al is het voor onze gezondheid?”

Predictive healthcare

In de Verenigde Staten wordt daar een stuk losser mee omgegaan, zegt Schroven, hier loopt het voorzichtiger. “Ik zie het nog gebeuren dat er ooit een medisch hulpverlener aan je deur staat met de boodschap dat je mee naar het ziekenhuis moet, omdat je over een halfuur een hartaanval zult krijgen. Predictive healthcare, als het ware. Al zal dat waarschijnlijk inderdaad eerst over de Grote Oceaan gebeuren en pas later ook in Europa en België.”


 

Truvion Healthcare is een familiebedrijf dat er in gelooft dat je pas echt een patiënt of consument kunt helpen met een gezondheidsprobleem door verder te kijken dan alleen het product. Door de patiënt of consument centraal te zetten in alles wat we doen, kunnen wij pas echt een verschil maken door ze (sneller) beter, fitter, gezonder en uiteindelijk gelukkiger te maken. We zetten niet alleen de patiënt en consument centraal maar bieden ook oplossingen door middel van onze producten en diensten. Truvion Healthcare is actief in de BeNeLux, met onze vestigingen in Nederland en België.

Nieuwe generatie hoortoestellen is kleiner dan ooit

Willen of niet: ouder worden gaat meestal gepaard met slechter horen. Problematisch hoeft dat weliswaar niet te zijn. Tegenwoordig bestaan er allerlei hulpmiddelen om een goede werking van je oren te ondersteunen. Hoorversterkers bijvoorbeeld, steek je in wanneer jij het nodig vindt. Ze zijn zo klein dat niemand er iets van merkt.   

Staat je televisietoestel luider dan vroeger? Heb je moeite om gesprekken in groep te volgen? Moet je anderen vaak vragen om te herhalen? Wie op een of meerdere vragen ‘ja’ geantwoord heeft, kan maar beter eens bij de dokter of de audioloog passeren. Veel kans immers dat je met gehoorverlies kampt. Een enquête in opdracht van beMedTech (EuroTrak 2017) leert dat ongeveer een op de tien Belgen hiermee te maken heeft. Bij de 75-plussers gaat het zelfs om een op de drie.

Te grote stap

Dat ons gehoor vermindert naarmate we ouder worden, staat vast. Eens de vijftig voorbij, beginnen vooral de hogere tonen weg te vallen. Zachte medeklinkers – zoals f, s en t – onderscheiden wordt lastig, waardoor woorden soms vervormen en misverstanden kunnen ontstaan. “Je zou verwachten dat mensen met dergelijke klachten snel naar de dokter gaan en de juiste ondersteuning zoeken, maar dat is zelden het geval”, zegt Aeldrik Pander, technisch manager van ExSilent, ontwikkelaar van hooroplossingen. “Vaak pas wanneer de klachten ernstiger worden, volgt er een bezoek aan de neus-keel-oorarts. Eigenlijk is dat jammer, want dan hebben de hersenen bepaalde signalen al heel lang niet meer gekregen, waardoor een hoorapparaat vaak een grotere stap is.”

Comfort en financiën

Pander ziet verschillende redenen waarom mensen aarzelen om hulp te zoeken en een hooroplossing aan te schaffen. “Dat er vaak een aantal onderzoeken en consultaties bij komt kijken, is zeker en vast een eerste hindernis. Maar ook financiële redenen spelen mee. De kosten kunnen snel oplopen, soms tot enkele duizenden euro’s. In België moet er bovendien een gehoorverlies van minstens 40 decibel zijn voor de ziekteverzekering tussenkomt.” Andere argumenten die slechthorenden aanhalen zijn comfort, onnatuurlijk geluid en zichtbaarheid. “Ze vinden het vaak lastig dat anderen zien dat ze een hoortoestel dragen”, verklaart Pander. “Blijkbaar rust daar toch nog een stigma op.”

Comfortabel horen

Dankzij technologische vooruitgang kunnen veel van die argumenten intussen van tafel. De nieuwste generatie hoortoestellen is kleiner dan ooit en vaak zo goed als onzichtbaar. Pander, oorspronkelijk geluidstechnicus, verwijst naar QUBI, een hoorversterker die hij mee hielp ontwikkelen. “Een hoorversterker is een perfecte oplossing voor mensen met licht gehoorverlies. Het is bedoeld om af en toe te gebruiken, bijvoorbeeld bij een vergadering of een etentje met vrienden. Voor QUBI hebben we dezelfde techniek gebruikt als bij eerdere modellen, maar de onderdelen zijn nog kleiner en de pasvorm is verbeterd. Veel aandacht is ook besteed aan gebruiksgemak, waarmee QUBI zelfs een IF Design Award heeft gewonnen. Door de kleine afmetingen past het helemaal in het oor, niemand die ziet dat je er één draagt.” En ook handig: je kunt een hoorversterker zonder voorschrift kopen.

 


QUBI is een gehoorversterker ontwikkeld door ExSilent in Amsterdam. QUBI is speciaal geschikt voor mensen die last hebben van beginnend gehoorverlies. De ontwikkeling van QUBI is gebaseerd op de techniek en ervaringen van eerder ontwikkelde in-het-oor hoortoestellen door ExSilent. Deze toestellen kenmerken zich door de instant-fit techniek waardoor deze direct gebruikt kunnen worden zonder oorafdruk. Door de diepe ligging in het oor kan het toestel vrijwel onopvallend gedragen worden. ExSilent wil met QUBI een groep gebruikers bereiken die nog niet voor een hoortoestel in aanmerking komen maar wel af en toe gehoorversterking willen gebruiken. Voor meer informatie: www.qubi.nl