De stad als wit blad

Als we de film ‘Minority Report’ mogen geloven, leven we in 2054 allemaal in de hoogte en worden we aan ons appartement opgepikt door magnetische minibussen. Zo’n vaart zal het misschien niet lopen, maar dat we de stad in de toekomst zullen moeten herdefiniëren, staat wel vast.

Steden oefenen al sinds hun ontstaan een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mensen uit, omwille van de concentratie van arbeid, amusement en kansen. In 1950 leefde ongeveer 30 procent van de wereldbevolking in steden, een percentage dat in 2014 al tot ruim de helft was opgelopen. De verwachtingen van de VN is dat tegen 2050 maar liefst 66 procent van onze medebewoners in een stad woont.

Mix van structuren

De vraag is dus: hoe houden we die steden leef- en werkbaar? Niet alleen in termen van mobiliteit en gezondheid, maar ook qua bewoning? Zal er ruimte genoeg zijn voor iedereen, moeten we niet stilaan kleiner en hoger wonen? Volgens Nicolas Vandoorne van architectenatelier Ruimtemannen mogen we niet vanuit een al te negatieve insteek vertrekken. “De stad werd, en wordt nog steeds, teveel gepercipieerd als een overweldigende mix die tot conflicten leidt. Terwijl het net de vlucht naar het platteland is geweest die het grootste probleem van vandaag – het verkeersinfarct – heeft gecreëerd. We moeten de stad niet zien als een conflicterende, maar als een uitdagende mix van structuren.” 

Continuïteit in de stad

Een radicaal herdenken van de stadsstructuur, zoals we in veel sciencefictionfilms zien, is volgens Vandoorne dan ook niet aan de orde. “Het is net die gezonde mix die aantrekt. De combinatie van gekoppelde gezinswoningen met een stadstuintje, woontorens met kleine units en alles daartussen moet het draagplatform van de stad zijn.” Dat de stad van de toekomst er niet compleet anders zal uitzien is ook de overtuiging van architect Joachim Declerck van Architecture Workroom Brussels. “Heel wat zaken zullen herkenbaar blijven, zoals dat met steden al eeuwenlang het geval is: straten, gebouwen, pleinen… Alleen zal de manier waarop we leven en de betrokkenheid van bewoners ingrijpend veranderen: minder plaats voor de auto, delen van het gemeenschappelijke… Er zal continuïteit zijn, geen kwantumsprong zoals in sciencefiction.”

‘Het versterken van de openbare belevingsruimte wordt de sleutel tot succes.’
Nicolas Vandoorne, Ruimtemannen

Maar het is een feit dat we, gezien de groeiende wereldbevolking, dichter bij elkaar zullen moeten wonen. “Toch geloof ik niet dat we willen en per se moeten evolueren naar minuscule woonunits”, aldus Declerck. “Wat we moeten doen, is een politiek ontwikkelen om onze huidige manier van wonen te heruitvinden. Niet door de bestaande oppervlakte door drie te delen, maar door de bestaande ruimte beter te benutten, zodat we een kwaliteitssprong in de woonsituatie realiseren. Dat zal van architecten en besturen vragen om niet langer in termen van losstaande kavels en gebouwen te denken, maar om bestaande verkavelingen en buurten te herdenken zodat er meer ruimte ontstaat voor groen, waterbuffering, energieopslag… Voor ons wordt het dus complexer, maar net daarom ook interessanter in de toekomst.”

Meer ruimte voor beleving

Om die noodgedwongen inkrimping van woonruimte te compenseren zullen in de stad van de toekomst openbare ruimtes veel meer belevingsruimtes moeten worden, die dienen als rust- en ontmoetingsplaatsen in het leven van de stad. “Het versterken van de openbare belevingsruimte wordt de sleutel tot succes”, meent Vandoorne. Joachim Declerck geeft het voorbeeld van straten: die zijn nu grotendeels functioneel – auto’s van het ene naar het andere punt brengen en ze parkeren – en worden veel minder gebruikt voor sociale activiteiten. “Daar liggen kansen op lichte verdichting”, stipt hij aan. “Terwijl het stadsleven tegelijkertijd aangenamer zal worden, aangezien de auto uit het stadsbeeld zal verdwijnen.”

Levenskwaliteit centraal

Die publieke ruimtes zullen wel hoogstaand moeten worden ingevuld, met speeltuinen, zwemvijvers, volkstuintjes, sportvelden, terrasjes… “Binnen dit landschap kunnen dan woonvormen ontwikkeld worden, waar niet de oppervlakte en het volume de kwaliteit bepalen, maar de essentie van wonen: ruimtegevoel, lichtinval, privacy en rust. Zodat mensen kunnen cocoonen in de plezante chaos van de stad”, besluit Nicolas Vandoorne. Of zoals Declerck het nog kernachtig formuleert: “Levenskwaliteit zal in de stad van de toekomst veel meer centraal staan.”