Interview door Frederic Petitjean

Bashir Abdi: ‘Ik vond dat zo’n gek idee: gewoon rechtdoor lopen’

Als kind ontvluchtte hij het door oorlog verscheurde Somalië en kwam hij in Gent terecht. Dat ‘lopen’ een legitieme sport was, besefte Bashir Abdi toen nog niet eens. Twee decennia later haalt hij voor België een Olympische medaille op de marathon binnen.

Voetbal, dat was zowat de enige sport die de Somalische televisie uitzond. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat boven Bashir Abdi’s bed vooral posters van David Beckham hingen en dat hij droomde van Manchester United. “Ik ben in Gent ook begonnen bij een voetbalploeg”, vertelt hij. “Maar door knieproblemen moest ik daar al snel mee stoppen. Mijn moeder heeft me toen ingeschreven bij speelpleinwerking en daar kwam ik Bert Misplon tegen, die later mijn beste vriend zou worden. Hij hield van atletiek, maar ik vond dat zo’n gek idee: gewoon rechtdoor lopen (lacht).”

Maar uiteindelijk ben je dan zelf toch ook lid van een atletiekclub geworden.
“Ja, omdat mijn broer Ibrahim zich ook had aangesloten. Het lopen op zich ging wel, maar de meer technische kant van de zaak, bijvoorbeeld hordelopen, dat was een ramp. Ik zal het nooit vergeten: op mijn eerste cross, in Zele, was ik laatste of voorlaatste. Ik was als een pijl uit een boog vertrokken, om dan te ontdekken dat mijn spieren na een halve kilometer al totaal verzuurd waren (lacht). Ik heb het wel volgehouden, omdat ik op de atletiekclub veel vrienden maakte, wat heel fijn was. En met veel trainen werd ik ook stilaan beter.”

Verliep je aanpassing aan België vlot?
“Dat verliep eigenlijk behoorlijk goed, ja. Er waren wel wat rare dingen, die ik niet gewend was. Bijvoorbeeld dat de deur bij de buren dicht was. In Somalië laat iedereen zijn deur gewoon openstaan en de hele buurt loopt bij elkaar binnen. Als kind sliep ik ook geregeld bij buren. Ook eten gebeurde meestal in een grotere groep. Maar al bij al is het heel goed gegaan. Het lopen heeft daar ook een grote rol in gespeeld. Via de atletiek heb ik redelijk snel mijn weg gevonden, dat is de verbindende kracht van sport.”

De voorbereidingen voor een Olympische Spelen zijn heel intens, miste je je familie niet?
“Ja, mensen onderschatten dat vaak. Als je een loper bent op de 5 of 10 kilometer, doe je drie weken stage en je bent klaar voor de wedstrijd. Een voorbereiding voor een marathon duurt maanden. Meestal zat ik dan ook in het buitenland, voor hoogtestages en dergelijke. Je bent dan ver weg van je familie en ver buiten je comfortzone. De laatste drie jaar heb ik eigenlijk meer in het buitenland gezeten dan in België. Als het goed gaat, ga je daar gemakkelijker mee om dan wanneer er iets is, bijvoorbeeld als je kinderen ziek zijn of zo. Dat zijn juist de lastigste momenten. Maar ik heb ook het grote geluk dat ik een vrouw heb die me 100 procent steunt en mijn sport begrijpt.”

Ik loop ongeveer 200 kilometer per week, dat doet wel iets met je lichaam.

Jij hebt je vrouw voor het eerst gezien op een foto in de krant, naar het schijnt.
“Ja, dat is zo. Ik was bevriend met haar oom, die in Gent woonde. Op een goede dag ging ik met hem mee naar een voetbaltoernooi voor Somaliërs in Amsterdam. Het was daar een beetje op zijn Afrikaans: om elf uur ‘s avonds was het toernooi nog niet afgelopen (lacht). Het was te laat om terug te keren naar Gent, dus zijn we gaan overnachten bij zijn zus, in Alkmaar. Zij toonde fier een foto van haar dochter in de krant. Het was een reportage over een Somalische vrouw die zwemles gaf aan kinderen. Dat was de eerste keer dat ik Nimo zag. Later zijn we dan via Facebook bevriend geworden en beginnen babbelen en ondertussen hebben we twee kinderen.”

Hoe ziet jouw agenda voor de komende maanden eruit?
“Ik ben ondertussen goed hersteld van Tokio. En van de bijhorende feestjes nadien (lacht). Ik voel dat ik behoorlijk in vorm ben, dus ik ga de rest van het seizoen nog wel wat wedstrijden lopen. En voor volgend jaar staat er ook al van alles op het programma: het Europees Kampioenschap in Duitsland, het Wereldkampioenschap in de USA. En daarna kunnen we ook al stilaan aan de Spelen in Parijs beginnen denken.”

Naast marathons lopen, heb je ook een vzw opgericht: Sportaround. Wat doet die juist?
“Daar ben ik zes jaar geleden mee begonnen, samen met Bert Misplon. Het idee kwam na een stage in Ethiopië, toen we met de armoede in het land geconfronteerd werden. Aanvankelijk hadden we op atletiekwedstrijden standjes met Somalisch eten, en met de opbrengst zetten we dan projecten in Afrika op. Ondertussen is de focus wel wat verschoven: we richten ons nu vooral op jongeren uit Gent, uit verschillende wijken. Ik zie bijvoorbeeld dat veel jonge gasten de weg naar sportclubs niet vinden of dat hun ouders de centen niet hebben om het inschrijvingsgeld te betalen. Daar proberen wij te helpen. We werken nu al samen met dertig Gentse scholen. We stellen sportmateriaal ter beschikking, organiseren naschoolse bewegingslessen, richten sportkampen in… Het is prachtig om te zien hoe kinderen met totaal verschillende achtergronden in zo’n omgeving met elkaar beginnen te spelen en te sporten. Ook dat is de verbindende kracht van sport.”

Je eigen kindjes zijn nog heel jong, maar zou je het zien zitten als ze ook een atletiekcarrière ambiëren?
“Onze oudste dochter is bijna drie jaar, dus dat is nog vrij ver weg. Maar ze beseft toch al wel dat papa een loper is, hoor. Als ik voorbijkom, roept ze: go, papa, go (lacht). Goh, ik wil hen daarin zo veel mogelijk vrijlaten. Ze mogen zeker van allerlei sporten proeven om dan later hun eigen keuze te maken. Ook als dat atletiek is, ja. Weet je, atletiek is een behoorlijk harde sport. Het vereist behoorlijk wat inspanningen en opofferingen om er goed in te worden. Maar het is tegelijk ook een heel pure sport: je hebt alles nodig van je lichaam, maar als het lukt, is dat een zalig gevoel.”

Smart
fact

Wat is jouw grote droom of ambitie nog?

“Over drie jaar zijn er weer Olympische Spelen… een gouden medaille, daar zou ik geen ‘nee’ tegen zeggen (lacht). Het is in Parijs, dus zo veel last van de jetlag als in Tokio zal ik alvast niet hebben. Het enige wat ik hoop, is dat ik het fysiek kan volhouden. Ik loop ongeveer 200 kilometer per week, dat doet wel iets met je lichaam. Je kunt je zelfs afvragen of dat nog gezond is. En als er iets is wat ik geleerd heb, is het dat je gezondheid het allerbelangrijkste is wat je hebt.”

27.09.2021
door Frederic Petitjean
Vorig artikel
Volgend artikel