Diversiteit

Weten waar het schoentje wringt op de werkvloer

31.08.2021
door Kim Beerts

De kleerkast van de vrouw is nog steeds niet privé. Iedereen heeft wel een mening over wat erin mag hangen – geen crop tops, geen minirokken, geen hoofddoek, geen sneakers… De vrouw lijkt nog altijd eerder op haar uiterlijk dan op haar capaciteiten beoordeeld te worden. 

Uit een bevraging van de sociale organisatie JUMP, die vijf jaar geleden bij meer dan 3000 vrouwen werd afgenomen, blijkt dat 75 procent al opmerkingen kreeg over haar kleding op de werkvloer. “Het dragen van bepaalde kledij kan wettelijk vastgelegd zijn omwille van veiligheids- of hygiëneregels. Dat geldt dan voor de hele sector en alle medewerkers. Maar het wordt iets anders als er vage, soms zelfs ongeschreven, regels gelden”, klinkt het bij Ciska Hoet, directrice van RoSa, het kenniscentrum voor gender en feminisme. “Er wordt dan gesproken van ‘gepaste’ kledij, waarbij vaak, bewust of onbewust , maar één groep geviseerd wordt. Want wat is ‘gepast’? In bepaalde sectoren, zoals horeca, consultancy en hospitality, zien we dat dit al snel anders geïnterpreteerd wordt voor mannen dan voor vrouwen. Ik denk aan hoge hakken: het lijkt me moeilijk hard te maken dat die gepaster zijn dan platte schoenen, maar toch worden ze soms nog verplicht. Achter die ongeschreven kledingregels gaat vaak een patriarchaal beeld schuil over hoe een vrouw er moet uitzien om elegant en professioneel voor de dag te komen.”

Die doorgedreven stereotypering kan leiden tot erg enge en daardoor discriminerende regels, waardoor meisjes geen schouders en knieën mogen laten zien op school, maar jongens wel, of waardoor een Finse premier meer commentaar krijgt op een fotoshoot met decolleté dan op haar beleid. “Terwijl natuurlijk iedereen gewoon zichzelf moet kunnen zijn en respectvol behandeld moet worden, ongeacht wat die persoon draagt”, onderstreept Ciska. “Het is dan ook belangrijk dat we daarop blijven hameren. Een goed voorbeeld is de brief die de studente Beatrix Yavuz net voor de zomervakantie schreef, waarin ze wees op de discriminerende kledingregels op haar school. Misschien bedoelde de directie dat niet zo, maar het is goed dat ze – samen met de rest van de maatschappij – nog eens op de gevoeligheden werd gewezen.”

Dat de brief ook tal van jongens tot protest aanzette en in rokjes en topjes naar school deed gaan, toont dat de vrouw niet meer alleen staat in haar ‘kledingstrijd’. “Het bewustzijn groeit inderdaad bij een deel van de jongeren, maar er is minstens een even grote groep die de andere kant op gaat en er conservatieve ideeën rond kleding, seksualiteit en rolverdeling op nahoudt”, tempert Ciska. “We blijven met RoSa dan ook workshops op scholen organiseren om het onderlinge begrip aan te wakkeren en discriminatie weg te werken. Het is immers de jeugd die straks de nieuwe kledingvoorschriften bepaalt.”

Vorig artikel
Volgend artikel