‘Op het ijs kom je regelmatig jezelf tegen’

België, een schaatsland pur sang? Dat is misschien overdreven, maar met Bart Swings hebben we wel een klasbak in huis die het zijn tegenstanders knap lastig kan maken. Hoe kwam hij erbij om schaatser te worden? Hoe lastig is de sport te combineren met zijn studies? En waarom vroeg de Nederlandse topschaatser Sven Kramer wie zijn kinesist is?

In feite is het allemaal de schuld van Sinterklaas. Toen hij een jaar of zeven was, kreeg Bart Swings een paar skeelers van de grote kindervriend. Bleek dat hij er vrij goed in was. Tegelijk krijgt hij – door de uitzendingen op de NOS – zin om te gaan schaatsen. En weer duurt het niet lang of de podiumplaatsen volgen elkaar snel op.

Merkte je meteen dat skeeleren jou lag?
“Ja, toch wel. Maar in het begin was het vooral puur plezier, hoor. Ik was niet slecht, maar tot mijn vijftiende viel ik meestal net buiten het podium. Ik was vrij klein en ik had eigenlijk de kracht niet om aan de top te komen. Vanaf mijn zestiende ging dat plots beter en begon ik echt mee te draaien in het peloton en te winnen.”

Kort daarna ben je ook serieus beginnen schaatsen.
“Dat kwam vooral door de reportages op de NOS waar ik graag naar keek. Er is ook wel een link tussen skeeleren en schaatsen, natuurlijk, ik ben zeker niet de eerste of enige die de overstap heeft gemaakt. Bovendien: schaatsen is een Olympische sport, skeeleren helaas niet. En Olympisch goud is voor de meest topsporters toch zo ongeveer het hoogst haalbare. Die overgang naar het schaatsen is ook heel vlot verlopen. Ik was een week of zeven aan het schaatsen, toen ik mij kwalificeerde voor het EK. Ik deed toen mijn eerste interview met de NOS en de journalist vroeg: ‘Hoe lang schaats je al?’ Waarop ik laconiek: ‘Ja, toch al een maand of twee’ (lacht).”

Bart Swings

Nochtans zijn het twee erg verschillende sporten, heb ik me laten vertellen.
“De bewegingen en spiergroepen zijn ongeveer hetzelfde, al de rest is anders. Skeeleren is in peloton, schaatsen doe je alleen, dat is altijd zo snel mogelijk zo efficiënt mogelijk rijden. Je wordt op het minste detail afgerekend. De ingesteldheid is ook anders. Bij een tijdrit van vijf kilometer rijd je niet tegen een tegenstander, maar tegen jezelf. Er wordt wel eens gezegd dat je op het ijs regelmatig jezelf tegenkomt. Dat klopt.”

Kun je leven van de sport?
“Momenteel wel, ja. Ik word zeker goed ondersteund door BLOSO en het BOIC. Als je de top wil halen, moet dat ook wel, denk ik. Dat lukt gewoon niet als je daarnaast ook nog een gewone job moet uitoefenen. Het hangt hem natuurlijk ook van de sponsors af en hun interesse valt vrij sterk samen met de Olympisch cyclus. Het varieert dus wel. Ik heb nu het geluk dat ik met Atos een heel goede sponsor heb gevonden. Zij zijn ook Olympisch partner en steunen mij al sinds de zilveren medaille in Peyonchang. Gelukkig maar, want sport kost ook geld. De komende wereldbekerwedstrijden zijn in Kazachstan en Wit-Rusland en Japan, het W.K. is in Salt Lake City… alleen al de reizen daar naartoe kosten handenvol centen.”

Is dat in Nederland beter geregeld?
“Tja, Nederland is voor schaatsen een andere wereld, de sport is daar écht wel groot. Zo’n team als Jumbo-Visma bijvoorbeeld, daar is alles tot in de puntjes professioneel geregeld. Nu pas op, ik mag zelf ook niet klagen, hoor, met de ondersteuning van BLOSO en BOIC. Als ik naar mijn begeleiding kijk, voor krachttraining en kine… Ik denk niet dat ik voor Nederland moet onderdoen. We hebben hier in België ook veel expertise en kwaliteit. Sven Kramer (Nederlandse topschaatser, red.) heeft me bijvoorbeeld al eens gevraagd wie mijn kinesist is. Die kan natuurlijk overal terecht als het moet, dus dat bewijst toch wel iets.”

Iets anders: jij combineert je topsport met een studie Burgerlijk Ingenieur. Dat lijkt me niet evident, hoe doe je dat?
“Dat is niet evident, nee (lacht). Ik krijg van de KULeuven gelukkig wel alle faciliteiten om mijn studie te spreiden, wat zeer welkom is. Het nadeel is dan wel dat je een hele tijd bezig bent om die studie af te ronden. Op dit moment staat de sport nog op nummer één. Hoe dichter de Spelen naderen, hoe lastiger het wordt om de examens allemaal mee te pikken. Meestal gebruik ik augustus, de overgang tussen het schaats- en skeelerseizoen, om examens af te leggen en projecten in te leveren. Gelukkig hebben de profs er veel begrip voor.”

“Ik was een week of zeven aan het schaatsen, toen ik mij kwalificeerde voor het EK.”

Wat zou je met die studie willen doen?
“Dat weet ik eigenlijk nog niet goed. Ik doe ‘Elektrotechniek’ en een van mijn sponsors is AnSem, een bedrijf dat analoge schakelingen ontwerpt, wat toevallig ook mijn studierichting is. Het is een mooi bedrijf, dus als ik daar ooit aan de slag zou kunnen gaan, zou ik geen nee zeggen. Maar ik moet eerlijk toegeven dat ik er nog niet écht over nagedacht heb. Mijn focus is op dit moment nog de sport en de Spelen in Peking.”

Zou je op een of andere manier in schaatsen of skeeleren actief willen blijven?
“Ja, al zal dat natuurlijk voor een groot stuk afhangen van hoe groot de sport in België wordt in de toekomst. Maar mijn ervaring doorgeven aan een volgende generatie is zeker iets waar ik voor open sta. En er is talent genoeg. Jason Suttels bijvoorbeeld is heel goed bezig, die is Europees kampioen in het skeeleren en gaat ook mee schaatsen. Wij trainen vaak samen, dus op die manier kan ik hem al het een en ander leren heel leuk om te doen.”

Hoe ontspan jij je graag naast de skeeler- en schaatsbaan?
“Ik kijk graag en best wel veel televisie, dat is ook typisch voor topsporters, blijkbaar (lacht). Een goede serie op Netflix volgen, daar kan ik helemaal mee tot rust komen. Maar andere sporten interesseren mij ook wel. Ik kijk graag naar wielrennen, bijvoorbeeld. Op onze laatste vakantie ben ik samen met mijn vriendin veel gaan surfen. Vlak na de Spelen zijn we op skivakantie geweest. Het was al acht jaar geleden dat ik nog geskied had, dus dat was wel fijn. Ik ben meestal wel graag actief bezig. Al kan ik er ook wel van genieten om gewoon een paar uur op een zonnig strand te gaan liggen.”

SMART FACT

Tot slot: een dilemma. De beste schaatser ter wereld worden of als ingenieur een uitvinding doen die de wereld op zijn kop zet?

“Goh… (denkt even na) Ik denk dat ik toch voor die uitvinding zou gaan. Omdat je dan nog meer impact hebt gehad op de wereld. Zeker als het een uitvinding is waar veel mensen iets aan hebben en die goede dingen meebrengt.”