15.5 C
Antwerp
18 september 2018

Elfje Willemsen: ‘Ik ben een verschrikkelijke koukleum’
E
.

©Nico Van Dam

Vlaanderen leerde haar enkele jaren geleden kennen als de speerwerpster die bobsleester werd. En die dat, tot verbazing van velen, ook nog eens verrassend goed deed. Vandaag is Elfje Willemsen een vaste waarde geworden in haar sport. Maar houdt ze eigenlijk wel van sneeuw?

Het begon als een soort halve grap. In 2008 was het al meer dan een halve eeuw geleden dat België nog een bobsleeteam had. Het Canvas-programma Operatie Winterberg zocht een aantal jonge meisjes die die lacune wilden opvullen en zouden meedoen aan de Olympische Winterspelen van 2010 in Vancouver. Eén van hen was Elfje Willemsen. En ondertussen behoren de Belgian Bullets bij de tien beste ploegen ter wereld.

Had je ooit voor Opertatie Winterberg al een bobslee van dichtbij gezien?
“Nee (lacht). Ik denk dat de meeste mensen nu meer weten over bobsleeën dan dat ik er toen over wist. Het leek me gewoon tof om te proberen. Ik wist wel dat het bestond, maar ik had nooit gedacht dat ik ooit zelf in zo’n ding zou gaan zitten.”

Jij was toen speerwerpster, dat is iets helemaal anders.
“Alles is anders dan bobsleeën. Maar wat dat speerwerpen betreft: ik was toen net geblesseerd, had een operatie achter de rug en was volop aan het revalideren, maar ik had nog altijd veel pijn. En ik was op een punt gekomen dat ik moest beslissen: doe ik nog een laatste poging om er iets van te maken of stop ik ermee? Dus die oproep van Canvas kwam eigenlijk net op het goede moment. Alleen had ik toen wel een beetje schrik om dat tegen mijn coach te zeggen. Gelukkig is hij er op een bepaald moment zelf mee afgekomen: zou je dat niet eens proberen? En ik: ‘Ja, maar ik dacht dat jij boos ging zijn als ik daar zou aan meedoen’ (lacht).”

Bobsleeën is als sprintend gewichtheffen: de eerste tien meter is keihard lopen en tegelijk een slee van 180 kilo voortduwen.

Wat moet je goed kunnen om te bobsleeën?
“Je moet vooral lef hebben. Je mag er niet met schrik aan beginnen, want dan duw je niet 100 procent bij de start en haal je nooit de maximale snelheid eruit. Je moet ook snel en explosief zijn. Wij zijn eigenlijk sprintende gewichtheffers. Die eerste tien meter is keihard lopen en tegelijk ook nog eens een slee voortduwen van zo’n 180 kilogram. Daarna ga je bergaf op het ijs, dus dan heb je plots die enorme versnelling en moet je in de slee springen. De eerste keer dat je dat doet, zweet je wel peentjes (lacht).”

Is het gevaarlijk? Jullie hebben nog niet zo lang geleden een serieuze crash gehad.
“Dit is nu het tiende seizoen dat ik bobslee en dat was onze zevende crash. En daarmee ben ik wereldwijd gezien één van de pilotes die het minste uit de bocht vliegt. Natuurlijk is dat niet leuk om mee te maken, maar het is part of the game. Het is lichamelijk pijnlijk, maar ook mentaal. Je voelt je schuldig tegenover je remmer en dan moet je ook nog eens die start overdoen, in de hoop dat het dan wel lukt. Dan moet je eventjes een klik maken. En dat wordt moeilijker met het ouder worden, je begint meer na te denken: waarom doe ik dit eigenlijk?”

In Sotsji besefte ik weer hoe leuk skiën eigenlijk is

Maar je vindt het nog steeds leuk?
“Ja, toch wel. De adrenalinekick is met weinig te vergelijken. Wat ook fijn is: onze resultaten zijn de laatste twee jaar in stijgende lijn gegaan en dat motiveert wel. Als ik terugkijk op die eerste zes jaar, toen we aan de staart bengelden… Ik ben wel fier dat we het volgehouden hebben. Aan de andere kant betekent dat wel dat de fun-factor er een beetje af is. Het is serieuzer geworden.”

Moet je als bobsleeër een ascetisch leven leiden? Of valt dat wel mee?
“Dat valt goed mee. Vroeger, in mijn atletiekjaren, was ik daar eigenlijk veel strikter in. De bobsleetrainingen zijn best wel stevig, maar het is niet zo dat we het leven van een marathonloper of een wielrenner leiden. Ik ga zelden om negen uur slapen (lacht). Ik besteed veel uren aan sport, maar mijn leven verschilt eigenlijk niet zoveel van dat van andere mensen.”

©Nico Van Dam

 

Ik was in het speerwerpen op het punt gekomen dat ik moest beslissen: doe ik een laatste poging of stop ik ermee?

En qua voeding?
“We mogen redelijk veel eten omdat we spiermassa moeten opbouwen. Dat betekent heel veel vlees, heel veel groenten en heel weinig koolhydraten. Vorig jaar moest ik gewicht verliezen en toen heb ik alle koolhydraten compleet verbannen, zelfs uit fruit. Iedereen was bezorgd of ik wel genoeg energie zou hebben, maar ik voelde me er prima bij.”

Zijn er nog andere wintersporten die je graag doet?
“Vroeger ging ik heel regelmatig skiën. Met de hele familie trokken we dan op skivakantie, heel fijn was dat. Dat heeft daarna wel een tijd stilgelegen, maar de laatste paar jaar heb ik het terug opgepikt. Na het bobsleeseizoen ga ik meestal nog op short ski van een dag of drie. Dat is eigenlijk terug begonnen na de winterspelen in Sotsji. We zaten toen natuurlijk midden in wintersportgebied en Hanna (toenmalig teamgenote Hanna Mariën, red.) en ik zijn toen ski’s gaan huren. Toen besefte ik weer hoe leuk dat eigenlijk is.”

©Nico Van Dam

 

Wat is je favoriete seizoen? De winter of de zomer?
“De zomer eigenlijk, want ik ben een ongelooflijke koukleum (lacht). In de winter heb ik altijd tien lagen kleren aan. Dus buiten skiën en bobsleeën doe ik ook niet zoveel aan wintersport. Pas op, de winter heeft natuurlijk zijn charmes. De kerstmarktjes bijvoorbeeld. Of met z’n allen gezellig rond de kerstboom zitten of buiten, dik ingeduffeld rond een vuurkorf met een glas glühwein erbij… daar kan ik zeker van genieten. Maar de zomer blijft toch het seizoen dat iedereen er net iets positiever en gelukkiger bijloopt.”

Hoe lang zou je nog graag op dit niveau willen sporten?
“Ik heb altijd gezegd dat ik door zou gaan tot de Olympische Spelen van 2018, in Zuid-Korea. Nu, ondertussen is dat nog maar een anderhalf jaar weg en ik wil mijn woorden eigenlijk een beetje terugtrekken. Ik ga het gewoon jaar per jaar bekijken. Na 2018 zal ik een analyse doen van waar ik sta en wat ik nog wil bereiken. En dan zullen we zien.”

Smart Fact.

Als Elfje Willemsen geen topsportster was geworden, dan was ze…?
“Goh, da’s moeilijk. Na het middelbaar had ik geen idee wat ik wilde worden. Ik wilde een jaartje alles op de sport zetten en dan studeren als dat zou mislukken, maar dat mocht niet van mijn moeder (lacht). Uiteindelijk ben ik blij met hoe het uitgedraaid is.”

tekst Frederic Petitjean

Lees meer.

Het feelgood-gevoel werkt

Dat we het niet allemaal even goed hebben hier op deze planeet, hoeft geen uitleg. Bij elke hongersnood, epidemie, overstroming of oorlog voelen we die wereldse ongelijkheid. Door een goed doel te steunen kunnen we daar iets aan verhelpen. En gelukkig maar.

Investeren in panden allerhande

Een dak boven je hoofd is een van de basisbehoeften van de mens. Een tweede dak kopen voor iemand anders, is dan weer een slimme investering. Opbrengsteigendom levert namelijk een mooie cent op, maar vraagt wel enige overweging.

Jongetjes en meisjes: twee aparte werelden?

Kinderen hebben een ongezouten mening over het andere geslacht. Niet zo vreemd, want genderclichés ontstaan al heel vroeg, weet Veerle Draulans.

Van passief naar nul-energie

Wie een energiezuinige woning laat (ver)bouwen, zet een mooie stap richting duurzame toekomst. Maar dat is niet alles. “Duurzaam bouwen is een nuloperatie als je niet duurzaam leeft.”

De schakelaar op je genen kan ziektes uitschakelen

Je haarkleur, je intelligentie, je aanleg om Alzheimer te ontwikkelen: lange tijd gingen we ervan uit dat er helemaal niets aan te doen valt. Je genen krijg je mee van je ouders en that’s it. Inzichten uit de epigenetica brengen daar verandering in.

Een gezonde geest in een gezonde student

Het studentenleven lijkt wel een vrijgeleide voor een ongezond bestaan: vaak stilzitten, weinig slapen, ongezond eten en (te) veel pintjes drinken. Maar is dat eigenlijk wel zo? En wat kun je als student doen om je lichaam en geest – toch enigszins – fit te houden? 

Archief.

Griet Deceuster:‘Onze visie op mobiliteit verandert’

Eeuwenlang zijn steden drukke plaatsen geweest, en ongetwijfeld zullen ze dat ook in de toekomst blijven. Maar de mobiliteitsoplossingen van morgen zullen verschillend zijn van die van vandaag. Griet Deceuster, directeur TM Leuven: “We gaan minder en minder zelf rijden, en meer en meer van diensten gebruik maken.”